De voorzitter opent de zitting op 15/12/2025 om 18:04.
De voorzitter haalt een citaat van John Kennedy aan uit zijn inaugurale rede: laten we voortgaan om het land, de gemeenschap, waar we van houden, te leiden, met als enige zekere beloning een goed geweten, het volgen van ons moreel kompas, en met als uiteindelijke rechter van onze daden de geschiedenis, over ons zal geoordeeld worden op basis van wat we gedaan hebben en niet beloven te doen.
Gelet op art. 32 en 277§1 van het decreet lokaal bestuur van 12 december 2017;
Art. 1: De notulen van de raadszitting van 17 november 2025 worden goedgekeurd.
Gelet op artikelen 78, 2de lid, 4°, 249 tot 256 en 596, 1° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
Gelet op het Ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Gelet op de omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus (BBC 3.0);
Overwegende de documenten van het meerjarenplan 2026-2031 met inbegrip van het financieel doelstellingenplan, overzicht van kredieten van de gemeente (schema M3), toelichtingen en staat van het financieel evenwicht;
Overwegende dat in dit meerjarenplan de beginkredieten voor het jaar 2026 worden vastgesteld;
Gelet op de toelichting over het meerjarenplan op een participatieve avond georganiseerd op 18 november 2025 waarop alle leden van de diverse adviesorganen van de gemeente Koksijde werden uitgenodigd
Gelet op het gunstig advies van de sportraad van de gemeente Koksijde d.d. 10 december 2025;
Art. 1: De gemeenteraad stelt het gedeelte gemeente van het meerjarenplan 2026-2031 vast.
Art. 2: De gemeenteraad stelt in dit meerjarenplan de beginkredieten voor 2026 vast.
Gelet op artikelen 78, 2de lid, 4°, 249 tot 256 en 596, 1° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
Gelet op het Ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Gelet op de omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 betreffende de strategische meerjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus (BBC 3.0);
Overwegende de documenten van het meerjarenplan 2026-2031 met inbegrip van het financieel doelstellingenplan, overzicht van kredieten van het OCMW (schema M3), toelichtingen en staat van het financieel evenwicht;
Overwegende dat in dit meerjarenplan de beginkredieten voor het jaar 2026 worden vastgesteld;
Art. 1: De gemeenteraad stelt het gedeelte OCMW van het meerjarenplan 2026-2031 vast. De gemeenteraad stelt het meerjarenplan 2026-2031 volledig vast.
Art. 2: De gemeenteraad stelt in dit meerjarenplan de beginkredieten voor 2026 vast.
Gelet op artikel 40 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Gelet op de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in bijzonder artikel 40, derde en zesde lid en artikel 71, eerste lid;
Overwegende de begroting van de politiezone westkust, goedgekeurd door de politieraad op 1 december 2025;
Overwegende dat de stijging van de kosten door indexaanpassing lonen en werkingskosten in de begroting 2025 nog gefinancierd kon worden door het gecumuleerd begrotingsresultaat en de geïndexeerde federale toelagen; dat in de politiezone het gecumuleerd begrotingsresultaat eind 2025 op 0 euro wordt geraamd; dat de kosten van de politiezone voor 85% uit lonen bestaan en deze zijn sinds 2021 gestegen met meer dan 25%, zoals ook de werkingskosten; dat de personeelskosten ook stegen doordat er meer politie inspecteurs in dienst traden in 2025 dan er uit dienst traden; dat deze positieve evolutie om een kwalitatieve dienstverlening vanuit de zone te leveren haar prijs heeft via de gestegen toelagen van de gemeenten;
Overwegende dat er nog geen begrotingsonderrichtingen zijn en ook geen bevestiging van de federale toelagen; dat hier voorzichtig mee is geraamd, ook omdat federale toelagen - zoals uit het verleden blijkt - de neiging hebben trager de gestegen kosten te volgen;
Overwegende dat de wet van 7 december 1998 voornoemd bepaalt dat de gemeenten het tekort van de politiezone dienen te dragen;
Art. 1 : De toelage van gemeente Koksijde voor 2026 aan de politiezone Westkust (De Panne-Koksijde-Nieuwpoort) goed te keuren voor een bedrag van 7.891.275 euro als exploitatietoelage en van 1.000.000 euro als investeringstoelage in kapitaal.
Beide toelagen zijn voorzien in het meerjarenplan onder kredietjaar 2026.
Art. 2 : Dit besluit ter goedkeuring over te maken aan de heer gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. Afschrift aan de politiezone Westkust en aan de financieel directeur.
Gelet dat de gemeenteraad goedkeuring gaf aan de instap in de hulpverleningszone Westhoek (West-Vlaanderen 4) vanaf 1 januari 2015;
Gelet op de wet betreffende de civiele veiligheid van 15 mei 2007, in het bijzonder artikel 68;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 13 oktober 2025 houdend hulpverleningszone Westhoek - Goedkeuring verdeelsleutel 2026-2031; dat het aandeel van de gemeente Koksijde in de brandweerzone Westhoek voor 2026 werd bepaald op 11,19%;
Gelet op de door de zoneraad van 2 oktober 2025 goedgekeurde zonale begroting en in zitting van 6 november 2025 goedgekeurde verdeelsleutel 2026-2031;
Overwegende dat de toepassing van het aandeel van de gemeente Koksijde in de zonale begroting van de brandweerzone Westhoek voor 2026 van 11,19% bestaat uit een werkingstoelage van 1.099.250,54 euro en een investeringstoelage van 372.980,99 euro;
Overwegende dat de nodige kredieten werden ingeschreven in het meerjarenplan 2026-2031 voor het jaar 2026 onder de toepasselijke budgetsleutels;
Art. 1: De toelage van de gemeente Koksijde in de begroting 2026 van de hulpverleningszone Brandweer Westhoek wordt vastgelegd op een werkingstoelage van 1.099.250,54 euro en een investeringstoelage van 372.980,99 euro. Deze bedragen worden ingeschreven in het jaar 2026 van het meerjarenplan van de gemeente Koksijde onder de toepasselijke jaarbudgetsleutels;
Art. 2: Afschrift van deze beslissing voor verder gevolg over te maken aan de secretaris van de hulpverleningszone Westhoek en de heer Provinciegouverneur.
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op artikel 2, 40 en 41 van het Decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel. Het bestuur wenst de voorwaarden tot erkenning vast te leggen zodat het voor elke vereniging duidelijk is waaraan moet voldaan worden om erkend te worden zodat de gemeente hen als bevoorrechte partner aanziet en hen dan ook verder kan ondersteunen;
Overwegende dat het gemeentebestuur het kader voor erkenning en subsidiëring van verenigingen wenst te hervormen;
Overwegende het voorstel om een algemeen kader/reglement tot erkenning te maken voor alle verenigingen (sport, jeugd, socioculturele,...) , feest- en buurtcomités in Koksijde;
Overwegende de bespreking van het ontwerpreglement op volgende adviesraden: sportraad, seniorenadviesraad en cultuurforum;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend reglement op de erkenning van verenigingen goed, dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen of erkenningen:
Art. 1: algemeen
Verenigingen kunnen een aanvraag indienen tot erkenning als Koksijdse vereniging door het college van burgemeester en schepenen. Een erkenning geldt voor een beleidsperiode en wordt na de installatie van de gemeenteraad opnieuw aangevraagd.
Een vereniging moet een keuze maken bij de aanvraag als welke soort vereniging er een erkenning aangevraagd wordt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen deze verenigingen:
Een vereniging erkend onder de ene categorie (bv als jeugdvereniging) kan geen extra erkenning krijgen onder een andere categorie (bv als sport- of socio-culturele vereniging of feestcomité) . Aan elk van de soorten erkenningen kan de gemeente specifieke voordelen toekennen, via de bevoegde organen.
Art. 2: algemene voorwaarden tot erkenning
Om voor erkenning in aanmerking te komen, moet een vereniging blijvend voldoen aan deze cumulatieve voorwaarden:
Art. 3: SPORTvereniging
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en beantwoordt aan onderstaande cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als sportvereniging:
Art. 4: JEUGDvereniging
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en beantwoordt aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als jeugdvereniging:
Art. 5: SOCIOCULTURELE vereniging (zoals bv. cultuur-, muziek-, toneel-, erfgoed-, vaderlandslievende, senioren-, dansverenigingen)
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en beantwoordt aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als socioculturele vereniging:
Art. 6: buurtcomité
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als buurtcomité:
Art. 7: feestcomité
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als feestcomité:
Art. 8: ONDERNEMERSvereniging
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 (uitgezonderd vereiste woonplaats van bestuursleden in Koksijde) en aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als ondernemersvereniging:
Art. 9: OUDERvereniging
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 en beantwoordt aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als oudervereniging:
Art. 10: Landelijk erkende verenigingen met lokale werking
Een vereniging die voldoet aan alle voorwaarden van artikel 2 (uitgezonderd vereiste woonplaats van bestuursleden) en beantwoordt aan onderstaande bijkomende cumulatieve voorwaarden kan een vraag indienen om uitsluitend erkend te worden als landelijke vereniging met lokale werking:
Deze erkenning geeft geen recht op gemeentelijke subsidies.
Art. 11: non-disriminitatieclausule
De aanvragende vereniging verbindt zich aan alle onderstaande punten:
a. geen enkele vorm van discriminatie op grond van het geslacht, nationaliteit, zogenaamd ras, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, fysieke of genetische eigenschap of sociale afkomst te dulden.
b. Elk discriminerend gedrag te voorkomen en indien nodig te bestrijden en te bestraffen.
c. De wetten en reglementen die de toepassing van de non-discriminatie en gelijke kansen bevorderen en verdedigen, na te leven.
d. Als een vereniging een beroep doet op derden, de non-discriminatieclausule ter kennis te brengen aan hen - er dus voor zorgen dat ook zij die naleven in de bijdrage die zij leveren in het kader van het toepasselijke reglement.
Wanneer de non-discriminatieclausule niet nageleefd wordt, kan Gemeente Koksijde – rekening houdend met alle elementen – maatregelen nemen, incl. de intrekking van de erkenning.
Art 12: procedure erkenningsaanvraag
nieuwe vereniging:
De vereniging dient een aanvraag tot erkenning als vereniging in één van bovenvermelde categorieën in via het (online) aanvraagformulier (op de gemeentelijke website).
In de aanvraag geeft de vertegenwoordiger van de vereniging alle info mee zodat de verantwoordelijke van Gemeente Koksijde deze kan aftoetsen met de bepalingen om tot erkenning te komen.
erkenningsaanvraag na de vernieuwing van de gemeenteraden:
de al erkende verenigingen worden door het gemeentebestuur aangeschreven om hun erkenningsaanvraag als vereniging in één van bovenvermelde categorieën opnieuw in te dienen volgens de bepalingen van dit reglement. Deze dient binnen de dertig dagen volgend op de verzending van de brief of e-mail volgens de meest recent gekende gegevens bij de gemeente ingediend te worden.
Als Gemeente Koksijde geen aanvraag ontvangt voor de vervaldag, wordt de erkenning automatisch ingetrokken op de vervaldag.
Als er een aanvraag werd ingediend binnen die termijn, blijft de vereniging erkend tot de datum waarop het college van burgemeester en schepenen zich formeel heeft uitgesproken over een erkenningsaanvraag volgens dit reglement.
Het college van burgemeester en schepenen heeft het recht om te beslissen om een aanvraag die buiten de termijn valt (bv.na versturen van een herinnering van de oproep of verlenging van de termijn door wijziging van het bestuur van een vereniging) nog per case te beoordelen. In dat geval wordt de automatische intrekking opgeschort tot er een definitieve beslissing is genomen.
Art 13: beoordeling dossiers
Elke aanvraag tot erkenning wordt door de gemeentelijke diensten aan het college van burgemeester en schepenen voorbereid en voorgelegd. Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd om te beslissen over de erkenning van een vereniging. Het college bepaalt eveneens als welk type vereniging de erkenning wordt verleend, op basis van de aanvraag en de bijhorende voorwaarden. Een vereniging kan slechts voor één type erkenning in aanmerking komen. Als het college beslist om een vereniging niet te erkennen, of niet volgens het gevraagde type, wordt deze beslissing gemotiveerd.
Art 14: intrekken erkenning
De gemeentelijke diensten kunnen op elk tijdstip een erkende vereniging vragen om (via de nodige documenten) aan te tonen dat nog steeds wordt voldaan aan de erkenningsvoorwaarden. Dit kan gebeuren op vraag van het college van burgemeester en schepenen, maar ook op eigen initiatief. Wanneer een vereniging niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, de procedures niet correct naleeft, bewust foutieve gegevens bezorgt of geen gevolg geeft aan een oproep tot indienen van extra informatie, kan het college van burgemeester en schepenen de erkenning intrekken.
Art 15: betwisting dossiers
Bij betwisting over de erkenning kan de vereniging een bezwaarschrift indienen, gericht aan het college van burgemeester en schepenen. De bevoegde gemeentelijke dienst(en) adviseren het college hierin.
Het college van burgemeester en schepenen beslist over het ingediende bezwaarschrift.
Art 16: overgangsbepaling: al erkende verenigingen
Alle Koksijdse verenigingen die officieel erkend zijn voor de bekendmakingsdatum van dit reglement, ontvangen een officieel schrijven om de erkenning als (soort) vereniging, volgens de voorwaarden van dit reglement, aan te vragen.
Deze vraag moet binnen de dertig dagen (volgend op de verzending van de brief of e-mail), volgens de meest recent bekende gegevens, bij de gemeente ingediend worden. Als er voor de vervaldag geen aanvraag ingediend werd, dan wordt de erkenning automatisch ingetrokken op de vervaldag.
Als een aanvraag werd ingediend binnen die termijn, blijft de vereniging erkend tot de datum waarop het college van burgemeester zich formeel heeft uitgesproken over de erkenningsaanvraag volgens dit reglement.
Het college van burgemeester en schepenen heeft het recht om te beslissen om een aanvraag die buiten deze termijn valt (bv. na versturen van een herinnering van haar oproep of verlenging van de termijn door wijziging van het bestuur van een vereniging), nog per case te beoordelen. In dat geval wordt de automatische intrekking opgeschort tot er een definitieve beslissing is genomen.
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat het gemeentebestuur in verenigingen een belangrijk middel ziet voor de versterking van het sociaal weefsel. Het bestuur wenst hen dan ook verder ondersteunen;
Overwegende dat het gemeentebestuur het kader voor erkenning en subsidiëring van verenigingen wenst te hervormen;
Overwegende het voorstel om naar aanleiding van jubileumvieringen met een veelvoud van 25 jaar de erkende verenigingen een jubileumtoelage te verlenen; dat aan deze toelage geen verplichtingen worden opgelegd aan de verenigingen die ze ontvangen; dat dit als een steuntje in de rug en appreciatie voor de werking van deze verenigingen bedoeld is;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend reglement op de toelage voor jubileumviering van een erkende gemeentelijke vereniging goed, alle reglementen die voorheen zouden goedgekeurd zijn worden opgeheven:
Art. 1 – Definitie
Aan jubilerende verenigingen, erkend door gemeente Koksijde, wordt een eenmalige werkingssubsidie toegekend in het jaar van de viering vanaf het 10-jarig bestaan. De volgende jubilea die in aanmerking komen zijn deze van 25 jaar en vervolgens de veelvouden van 25.
Art. 2 - Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor deze subsidie moeten de verenigingen aan deze voorwaarden voldoen:
Art. 3 – Bedrag
Art. 4 – Aanvraag
De vereniging dient een schriftelijke aanvraag of een aanvraag per e-mail aan Gemeente Koksijde, Zeelaan 303, 8670 Koksijde of via info@koksijde.be. Timing: tegen ten laatste 1 oktober van het jaar voor dat de vereniging haar jubileum viert.
In de aanvraag staan deze gegevens:
Voor jubilea in 2026 voorziet Gemeente Koksijde een overgangsregeling en kunnen verenigingen een aanvraag indienen t.e.m. 31 maart 2026.
Art. 5 – Duurtijd reglement
Dit reglement is geldig van 2026 tot en met 2031 en wordt daarna opnieuw voorgelegd.
Art. 6 – Algemene voorwaarden
Gemeente Koksijde verleent deze toelage aan jubilerende verenigingen binnen het beschikbare gemeentebudget.
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel;
Overwegende dat de gemeente met de subsidiëring van erkende socioculturele verenigingen het lokale verenigingsleven wil versterken, ondersteunen en de verenigingen stimuleren om bij te dragen aan ontmoeting, verbinding, culturele beleving, participatie, erfgoedzorg en maatschappelijke betrokkenheid;
Overwegende dat het er een reglement werd uitgewerkt dat voorziet in diverse subsidies voor erkende Koksijdse socioculturele verenigingen;
Overwegende dat voor 2026 in een overgangsbepaling wordt voorzien, wat de verenigingen de tijd geeft om hun werking bij te sturen;
Overwegende de bespreking van het subsidiereglement op de seniorenadviesraad dd. 26 november 2025 en op het cultuurforum dd. 02 december 2025;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend subsidiereglement socioculturele verenigingen goed, dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen:
Artikel 1 – Doel
De subsidiëring van erkende socioculturele verenigingen wil het lokale verenigingsleven versterken, ondersteunen en de verenigingen stimuleren om bij te dragen aan ontmoeting, verbinding, culturele beleving, participatie, erfgoedzorg en maatschappelijke betrokkenheid.
De voorwaarden zoals vastgelegd in dit reglement bepalen het subsidiebedrag, binnen het goedgekeurde budget en binnen de aan de vereniging toegekende subsidiecategorie. Verenigingen die genieten van specifieke regeling door de gemeente, de VVV of het AGB via onder andere eerder goedgekeurde overeenkomsten, kunnen geen aanspraak maken op werkingssubsidies via dit reglement. De vereniging komt alleen in aanmerking voor een ondersteuningspremie of organisatiestimulans (binnen de aan de vereniging toegekende categorie).
Artikel 2 – Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor subsidies moet de vereniging:
Verenigingen die organisatorisch of financieel verbonden zijn met een politieke partij, komen niet in aanmerking voor subsidiëring. Verenigingen met een ideologische of levensbeschouwelijke grondslag, die autonoom functioneren en openstaan voor het brede publiek, kunnen in aanmerking komen.
Artikel 3 – Indeling en subsidiëring per categorie
De erkende socioculturele verenigingen worden (in het kader van de subsidiëring) onderverdeeld in categorieën met specifieke voorwaarden en bedragen.
3.1 Erfgoedverenigingen verbonden aan een Koksijds museum
Verenigingen rechtstreeks verbonden aan een museum (gevestigd in Koksijde) en minstens 100 dagen per jaar open voor het publiek (zonder afspraak). Deze verenigingen dragen actief bij aan de ontsluiting, promotie en beleving van het lokale erfgoed.
Werkingssubsidie: 2.500 euro - voorwaarden:
3.2 Actieve muziek- en folkloreverenigingen
Verenigingen die zich bezighouden met muziek, zang, dans of folkloristische tradities, zoals koren, harmonieën, muziekgroepen, dansgroepen en folkloreverenigingen.
Deze verenigingen komen in aanmerking voor een werkingssubsidie, waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de geldende voorwaarden. Deze subsidie is niet cumuleerbaar met een andere werkingssubsidie.
Daarnaast kunnen deze verenigingen ondersteuningspremies aanvragen (voor specifieke activiteiten): die aanvragen moeten het jaar voordien worden ingediend (een project dat in 2027 plaatsvindt, wordt aangevraagd in 2026).
Werkingssubsidie
3.3 Verbindende verenigingen
Verenigingen die via culturele, sociale, educatieve of recreatieve activiteiten bijdragen aan ontmoeting, gemeenschapsvorming en maatschappelijk engagement.
Mogelijke categorieën:
Deze verenigingen komen in aanmerking voor een werkingssubsidie, waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de geldende voorwaarden. Deze subsidie is niet cumuleerbaar met een andere subsidie.
Daarnaast kunnen deze verenigingen een organisatiestimulans aanvragen (voor specifieke activiteiten): die aanvragen moeten het jaar voordien worden ingediend (een project dat in 2027 plaatsvindt, wordt aangevraagd in 2026) en goedgekeurd. De organisatiestimulans is uitsluitend bedoeld voor activiteiten aanvullend op het minimumaantal activiteiten dat wordt ondersteund via de werkingssubsidie.
Werkingssubsidie
Een publieksactiviteit is een (tijdelijk) initiatief in Koksijde:
Voorbeelden (niet-limitatief):
wandelingen, concerten, choreografieën, open infosessies, publiek toegankelijke beurzen of markten, theatervoorstellingen, lezingen, voordrachten, vormingen, cultuurreizen (openbaar), tentoonstellingen, erfgoedwandelingen.
Worden niet beschouwd als publieksactiviteiten:
leden- en bestuursvergaderingen, repetities, privéfeesten, interne vieringen, benefietacties ten voordele van de eigen werking of een individueel doel.
Organisatiestimulans
Artikel 4 – Uitbetaling en controle
Artikel 5 – Slotbepalingen
Artikel 6 – Overgangsbepalingen
6.1 Het nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen is onmiddellijk van toepassing.
Wanneer een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal meer subsidie in 2026 zou ontvangen dan het toelagebedrag van 2025, dan is deze hogere subsidie volledig verworven.
Wanneer daarentegen een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal minder subsidie zou ontvangen in 2026 dan het toelagebedrag van 2025, wordt dit verschil volledig bijgepast. Elke erkende vereniging behoudt dus zeker minstens hetzelfde toelagebedrag in 2026 als in 2025.
Onder toelagebedrag van 2025 wordt verstaan: de nominatieve subsidie zoals gestemd in de gemeenteraad vermeerderd met de eventueel toegekende subsidie op basis van een subsidiereglement, doch met uitzondering van eventueel éénmalig in 2025 toegekende extra toelagen (oa. investerings- of eenmalige toelagen, jubilea, projectsubsidie,…).
Vanaf 2027 is enkel dit nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen van toepassing
6.2. Timing aanvragen organisatiestimulans:
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel. Het gemeentebestuur wenst het kader voor erkenning en subsidiëring van verenigingen te hervormen;
Overwegende dat er een reglement werd uitgewerkt dat voorziet in diverse subsidies voor erkende Koksijdse sportverenigingen;
Overwegende dat dit subsidiereglement ten opzichte van het vorige reglement een administratieve vereenvoudiging is, voor zowel de verenigingen zelf als voor de administratie;
Overwegende dat het reglement een gestructureerd kader biedt voor de ondersteuning van Koksijdse erkende sportverenigingen, met aandacht voor jeugdwerking, kwaliteit van begeleiding en inclusie. Verenigingen worden ingedeeld in vijf categorieën, op basis van hun werking, ledenaantal en professionalisering. Daarnaast is er een extra stimulans voorzien voor verenigingen met een G-sportwerking, en kunnen verenigingen ook materiële ondersteuning aanvragen. Het reglement stimuleert een duurzaam en kwaliteitsvol sportaanbod voor alle inwoners van Koksijde;
Overwegende dat voor 2026 in een overgangsbepaling wordt voorzien, wat de verenigingen de tijd geeft om hun werking bij te sturen;
Overwegende de bespreking van dit reglement in de sportraad van 10 december 2025;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend subsidiereglement voor Koksijdse sportverenigingen goed, dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen:
Artikel 1 – Doel
De subsidiëring van de erkende sportverenigingen wil sportverenigingen de kans geven om de werking verder uit te bouwen, kwantitatief en kwalitatief. Het beleid stimuleert hiermee het sportieve verenigingsleven door “zoveel mogelijk inwoners van de gemeente op een gezonde manier te doen sporten en bewegen”.
De voorwaarden van dit reglement (binnen het goedgekeurde budget) bepalen het subsidiebedrag. Als er al een tussenkomst werd toegekend (door de gemeente / VVV / AGB, via o.a. eerder goedgekeurde overeenkomsten) kan de vereniging geen aanspraak meer maken op werkingssubsidies via dit reglement (binnen de aan de vereniging toegekende categorie).
Artikel 2 – Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor subsidies moet de vereniging:
Artikel 3 – Werkingssubsidie
De sportverenigingen die in aanmerking komen voor financiële ondersteuning met een werkingssubsidie worden verdeeld in 5 categorieën met een vast subsidiebedrag:
Categorie Brons: 250 euro
Een erkende sportvereniging behoort tot categorie Brons als ze voldoet aan deze voorwaarden:
Categorie Zilver: 2.500 euro
Een erkende sportvereniging behoort tot categorie Zilver als ze voldoet aan deze voorwaarden:
Categorie Goud: 4.000 euro
Een erkende sportvereniging behoort tot de categorie Goud als ze voldoet aan deze voorwaarden:
Categorie Diamant: 10.000 euro
Een erkende sportvereniging behoort tot de categorie diamant als ze voldoet aan deze voorwaarden:
Categorie Platina: 20.000 euro
Een erkende sportvereniging behoort tot deze categorie als de club voldoet aan alle voorwaarden van categorie Diamant én minimaal 250 actieve jeugdleden telt.
Bijkomende stimulans G-sport: 1.000 euro
Een erkende sportvereniging die beschikt over een expliciete inclusieve of aparte G-werking heeft recht op deze toelage, al dan niet boven op het subsidiebedrag volgens de categorie waartoe de vereniging behoort, als de club voldoet aan deze voorwaarden:
Artikel 4 - Materiële ondersteuningssubsidie
Een materiële ondersteuningssubsidie wordt toegekend aan een erkende sportvereniging, vanaf de categorie Zilver, en is bedoeld voor de aankoop of het onderhoud van sportmateriaal. Voorbeelden: wedstrijdkledij, doelen, sport specifiek trainingsmateriaal.
Deze voorwaarden zijn van toepassing:
Artikel 5 - Uitbetaling en controle
Artikel 6 - Slotbepalingen
Artikel 7 - Overgangsbepalingen
Het nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen is onmiddellijk van toepassing.
Wanneer een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal meer subsidie in 2026 zou ontvangen dan het toelagebedrag van 2025, dan is deze hogere subsidie volledig verworven.
Wanneer daarentegen een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal minder subsidie zou ontvangen in 2026 dan het toelagebedrag van 2025, wordt dit verschil volledig bijgepast. Elke erkende vereniging behoudt dus zeker minstens hetzelfde toelagebedrag in 2026 als in 2025.
Onder toelagebedrag van 2025 wordt verstaan: de nominatieve subsidie zoals gestemd in de gemeenteraad vermeerderd met de eventueel toegekende subsidie op basis van een subsidiereglement, doch met uitzondering van eventueel éénmalig in 2025 toegekende extra toelagen (oa. investerings- of eenmalige toelagen, jubilea, projectsubsidie,…).
Vanaf 2027 is enkel dit nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen van toepassing.
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel;
Overwegende dat het gemeentebestuur het kader voor erkenning en subsidiëring van verenigingen wenst te hervormen;
Overwegende dat het gemeentebestuur de jeugdverenigingen wil ondersteunen via een transparant, eenvoudig en inspanningsgericht subsidiereglement;
Overwegende dat het voorliggende reglement een duidelijke structuur biedt met basis-, leden- en activiteitentoeslagen, aangevuld met bijkomende stimulansen voor vorming, kampvervoer en G-werking;
Overwegende dat het nieuwe reglement bijdraagt tot een eerlijke en doelgerichte ondersteuning van de lokale jeugdwerking in Koksijde;
Overwegende dat er in een overgangsbepaling voor het jaar 2026 voorzien wordt, wat de verenigingen de tijd geeft om hun werking bij te sturen;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend reglement werkingssubsidies jeugdverenigingen goed, dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen:
Art. 1. Doel
Dit reglement wil erkende jeugdverenigingen in Koksijde ondersteunen via een eenvoudige, transparante en inspanningsgerichte subsidieregeling.
De voorwaarden van dit reglement (binnen het goedgekeurde budget) bepalen het subsidiebedrag. Als er al een tussenkomst werd toegekend (door de gemeente / VVV / AGB via o.a. eerder goedgekeurde overeenkomsten) kan deze jeugdvereniging geen aanspraak meer maken op werkingssubsidies via dit reglement.
Art. 2. Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor subsidies moet de vereniging:
Art. 3. Subsidie-opbouw
Het subsidieerbare bedrag bestaat uit 6 componenten:
3.1. Basissubsidie
Elke erkende jeugdvereniging ontvangt automatisch een vaste subsidie van 500 euro per werkjaar.
Doel: ondersteuning van administratieve en algemene werking.
3.2. Ledenpremie
Elke vereniging ontvangt 2 euro per lid, op basis van de ledenlijst op 1 oktober.
Doel: stimulering van ledenwerving en betrokkenheid.
3.3. Activiteitentoeslag
De activiteitentoeslag wordt toegekend op basis van het type en de schaal van de activiteit. Er is een onderscheid tussen gewone en langdurige activiteiten, idem voor initiatieven met minder dan of vanaf 50 deelnemers.
Een activiteit moet:
minimaal 2 uur duren (6 uur in het geval van dagactiviteiten zoals kamp- en weekenddagen)
minstens 15 deelnemers hebben
kaderen binnen de reguliere jeugdwerking
Vergoeding per type activiteit
|
Type activiteiten |
Subsidie per type activiteit |
|
Type A. min. 2 uur met 15 t.e.m. 50 deelnemers |
5 euro |
|
Type B. min. 2 uur met meer dan 50 deelnemers |
10 euro |
|
Type C. dagactiviteiten (min. 6 uur) zoals kampdagen, weekends of daguitstappen t.e.m. 50 deelnemers |
15 euro |
|
Type D. dagactiviteiten (min. 6 uur) zoals kampdagen, weekends of daguitstappen met meer dan 50 deelnemers |
20 euro |
3.4. Vormingstoeslag
Voor elk erkend vormingsattest ontvangt de vereniging 25 euro.
Alleen erkende vormingen komen in aanmerking:
Attesten van gevolgde vormingen (met naam, datum en organisator) moeten bij de aanvraag worden toegevoegd (anders is de aanvraag niet geldig).
3.5. Subsidie kampvervoer
Bovenop bovenstaande subsidiemogelijkheden voorziet Gemeente Koksijde ook een eenmalige jaarlijkse tussenkomst voor de kosten van kampvervoer (op voorlegging van factuur).
Voorwaarden:
3.6. G-stimulans
Naast de voorgaande subsidiemogelijkheden voorziet Gemeente Koksijde ook een eenmalige jaarlijkse stimulans van 1.000 euro voor jeugdverenigingen die een actieve werking hebben voor jongeren met een functiebeperking (G-werking).
Voorwaarden
Art. 4. Uitbetaling en controle
Art. 5. Slotbepalingen
Art. 6. Overgangsbepalingen
Het nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen is onmiddellijk van toepassing.
Wanneer een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal meer subsidie in 2026 zou ontvangen dan het toelagebedrag van 2025, dan is deze hogere subsidie volledig verworven.
Wanneer daarentegen een erkende vereniging op basis van dit nieuwe reglement in totaal minder subsidie zou ontvangen in 2026 dan het toelagebedrag van 2025, wordt dit verschil volledig bijgepast. Elke erkende vereniging behoudt dus zeker minstens hetzelfde toelagebedrag in 2026 als in 2025.
Onder toelagebedrag van 2025 wordt verstaan: de nominatieve subsidie zoals gestemd in de gemeenteraad vermeerderd met de eventueel toegekende subsidie op basis van een subsidiereglement, doch met uitzondering van eventueel éénmalig in 2025 toegekende extra toelagen (oa. investerings- of eenmalige toelagen, jubilea, projectsubsidie,…).
Vanaf 2027 is enkel dit nieuwe reglement en de daarin opgenomen nieuwe subsidieregelingen van toepassing.
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel;
Overwegende dat de het gemeentebestuur erkende ondernemersverenigingen wil aanmoedigen om eigen initiatieven te nemen die de zichtbaarheid van de commerciële centra verhogen, de winkelbeleving versterken, en de samenwerking tussen de ondernemers onderling binnen ondernemersverenigingen en tussen ondernemersverenigingen stimuleren;
Overwegende dat lokale ondernemersverenigingen een belangrijke rol spelen in het levendig en aantrekkelijk houden van onze winkelgebieden. Ze organiseren activiteiten die klanten aantrekken, zorgen voor sfeer in het centrum en brengen ondernemers samen;
Overwegende dat met dit subsidiereglement we die inzet willen stimuleren en ondersteunen. We vinden het belangrijk dat ondernemersverenigingen de kans krijgen om zelf initiatieven te nemen die hun handelsgebied op de kaart zetten, nieuwe klanten te bereiken en de samenwerking tussen ondernemers versterken;
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend reglement voor stimulanssubsidie aan ondernemersverenigingen goed:
Art. 1 - Doel
Dit reglement heeft als doel erkende ondernemersverenigingen aan te moedigen eigen initiatieven te nemen die de zichtbaarheid van de commerciële centra verhogen, de winkelbeleving versterken, en de samenwerking tussen de ondernemers onderling (binnen ondernemersverenigingen) en tussen ondernemersverenigingen stimuleren.
De subsidie wordt toegekend volgens de voorwaarden die in dit reglement zijn vastgelegd (en binnen de perken van het, door het schepencollege, goedgekeurde budget). Als er al een tussenkomst (toegekend door de gemeente/VVV vzw/AGB) is, o.a. via goedgekeurde overeenkomsten, maakt een ondernemersvereniging geen aanspraak op de stimulanssubsidies via dit reglement.
Art. 2 - Voorwaarden
Om in aanmerking te komen voor de subsidie moet de ondernemersvereniging:
erkend zijn als ondernemersvereniging door Gemeente Koksijde.
als doel hebben om via het initiatief meer bezoekers aan te trekken naar het winkelgebied (en hen te laten kennismaken met de handels- en horecazaken in de winkelstraten); voorbeelden: late night shopping, modeshow, braderie.
en/of als doel hebben om via het initiatief ondernemers samen te brengen en te informeren (via een workshop of infosessie) over een relevant thema m.b.t. ondernemerschap.
Komen niet in aanmerking: bv. sportmanifestaties, evenementen georganiseerd door gemeente of vzw VVV Koksijde, beurzen, markten.
Wanneer een evenement of ondernemersgericht initiatief georganiseerd wordt door de gemeente/VVV vzw of AGB Koksijde, dan kan een ondernemersvereniging voor initiatieven tijdens zo’n evenement geen aanvraag indienen. Het initiatief (gericht op bezoekers) moet:
gratis toegankelijk zijn en plaatsvinden in Koksijde.
plaatsvinden op een welbepaalde datum (de aanvrager kan slechts één toelagebedrag ontvangen).
vermelden, in alle communicatie: in samenwerking met Gemeente Koksijde (incl. gebruik van het correcte logo van de gemeente en taggen #KoksijdeOostduinkerke via sociale media).
Art. 3 - Subsidie
§1. De ondernemersvereniging kan een beroep doen op één van onderstaande subsidies:
§2. De subsidies vermeld in §1 kunnen niet gecumuleerd worden.
§3. De volgende kosten komen niet in aanmerking voor een subsidie:
Art. 4 - Procedure
§1. De aanvraag gebeurt via een online formulier op de gemeentelijke website.
§2. De aanvraag moet ten laatste 8 weken op voorhand worden ingediend.
§3. Het college van burgemeester en schepenen beoordeelt en beslist over de aanvragen, na advies van de dienst Ondernemen, rekening houdend met o.a. volgende criteria:
§4. Als het initiatief al heeft plaatsgevonden (vooraleer het college van burgemeester en schepenen een goedkeuring heeft verleend) wordt er geen subsidie toegekend.
Art. 5 – Uitbetaling en evaluatie
§1. Na goedkeuring (door het college van burgemeester en schepenen) wordt de subsidie, gestort op het rekeningnummer van de ondernemersvereniging.
§2. Ten laatste één maand na het initiatief bezorgt de organisator (via een digitaal formulier) een evaluatiefiche aan de dienst Ondernemen met ook o.a.:
Art. 6 - Terugvordering van de subsidie
Als de subsidie niet volgens dit reglement is gebruikt (of als het evenement niet correct werd beschreven in de aanvraag) wordt de subsidie (deels) teruggevorderd. In dat geval bij niet-terugbetaling van de subsidie binnen de 30 kalenderdagen, trekt Gemeente Koksijde de erkenning in van de ondernemersvereniging en kan er gedurende twee jaar geen nieuwe erkenning of subsidie meer aangevraagd worden.
Art. 7 - Slotbepalingen
§1. Dit reglement is van kracht vanaf 1 januari 2026 (vastgesteld door de gemeenteraad, in zitting van 15 december).
§2. Bij twijfel of onduidelijkheid beslist het college van burgemeester en schepenen.
§3. Het college van burgemeester en schepenen is belast met de uitvoering van dit reglement. Deze beslissing wordt kenbaar gemaakt op de website van Gemeente Koksijde.
Gelet op de wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen;
Gelet op de wet van 29 juli 1991 en latere wijzigingen betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht van bestuurshandelingen;
Gelet op het Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017 meer bepaald art. 41, 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 15 december 2025 tot goedkeuring van het reglement met voorwaarden tot erkenning als Koksijdse vereniging;
Overwegende dat voor het gemeentebestuur verenigingen een belangrijke partner zijn voor de versterking van het sociaal weefsel;
Overwegende dat het gemeentebestuur zijn kader voor erkenning en subsidiëring van verenigingen wenst te hervormen;
Overwegende dat het gemeentebestuur initiatieven in buurten en dorpskernen faciliteert en ondersteunt om de verbinding en de sociale contacten tussen de bewoners te versterken;
Overwegende dat met dit subsidiereglement de gemeente buurtbewoners wil aanmoedigen om zelf initiatief te nemen en bij te dragen aan de organisatie van activiteiten in hun buurt of dorpskern. Deze subsidie wordt toegekend voor:
Art. 1: De gemeenteraad keurt volgend subsidiereglement voor straatfeesten, voor erkende buurt- en feestcomités goed, dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen:
Artikel 1 – Doel
Gemeente Koksijde faciliteert en ondersteunt initiatieven in buurten en dorpskernen om de verbinding en de sociale contacten tussen de bewoners te versterken. Met dit subsidiereglement wil de gemeente buurtbewoners aanmoedigen om zelf initiatief te nemen en bij te dragen aan de organisatie van activiteiten in hun buurt of dorpskern. Deze subsidie wordt toegekend volgens de voorwaarden die in dit reglement zijn vastgelegd voor:
Artikel 2 – Voorwaarden
2.1. Straatcheque
De straatcheque wordt toegekend voor de organisatie van een straatfeest volgens deze voorwaarden:
2.2. Buurt- of feestcheque
Om in aanmerking te komen voor een buurt- of feestcheque moet de initiatiefnemer:
Artikel 3 – Subsidie
3.1. Straatcheque
3.2. Buurtcheque
3.3. Feestcheque
Artikel 4 - Materiële ondersteuning
De aanvrager kan gebruikmaken van logistiek materiaal of van de gemeentelijke infrastructuur volgens de voorwaarden bepaald in het retributiereglement. Aanvragen gebeuren via het formulier op de gemeentelijke website www.koksijde.be.
Artikel 5 – Promotie
Artikel 6 - Uitbetaling en controle
6.1. Straatcheque
Na afloop bezorgt de aanvrager (ten laatste 8 weken na de activiteit) een verslag met minstens deze info: plaats, datum en korte nabeschouwing van de activiteit, aantal deelnemers en groepsfoto bij de vlag van Koksijde
Het college van burgemeester en schepenen geeft pas na een controle de goedkeuring tot uitbetaling van de straatcheque.
6.2. Buurtcheque
Het college van burgemeester en schepenen beslist over de aanvraag en bepaalt of er een voorschot van het subsidiebedrag wordt toegekend.
Ten laatste 8 weken na de aanvraag ontvangen de aanvragers een antwoord op de vraag of hun aanvraag goedgekeurd of afgewezen is.
6.3. Feestcheque
Het basisbedrag wordt uitbetaald na aanvraag van de subsidie door het feestcomité.
De aanvullende subsidie wordt per activiteit uitbetaald.
6.4. Controle
Op ieder ogenblik kan (door een afgevaardigde van gemeente Koksijde, namens het college van burgemeester en schepenen) de naleving van dit reglement gecontroleerd worden.
Bij niet-naleving van de bepalingen kan het college van burgemeester en schepenen overgaan tot de (volledige of gedeeltelijke) terugvordering van de betrokken subsidie, ongeacht gerechtelijke vervolging. Vastgestelde misbruiken kunnen leiden tot uitsluiting van het verkrijgen van de subsidie, al dan niet voor een bepaalde periode.
Alle uitspraken over geschillen/betwistingen over (de toepassing van) dit reglement worden afgehandeld door het college van burgemeester en schepenen.
Betwistingen moeten, ten laatste 1 maand na kennisgeving van de beslissing over de toekenning van de subsidie aan de subsidieaanvrager, per aangetekende brief gericht worden aan het college van burgemeester en schepenen (postadres: Zeelaan 303, 8670 Koksijde, of via info@koksijde.be).
Artikel 7 – Slotbepalingen
Dit reglement is van kracht vanaf 1 januari 2026 (vastgesteld door de gemeenteraad, zitting van 15 december 2025).
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 12 december 2017, art. 41 23°;
Gelet op de omzendbrief betreffende het lokaal sociaal beleid van 9 februari 2018;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 10 maart 2025 van het herwerkte reglement onderwijscheques;
Overwegende dat deze aanpassingen in toekenningsvoorwaarden de doelgroep en specifiek de meest kwetsbaren beter omlijnen;
Overwegende dat het gemeentebestuur van Koksijde inzet op toegankelijke en drempelverlagende hulp- en dienstverlening;
Overwegende dat de toekenningsvoorwaarden gelijklopend moeten zijn voor de diverse tussenkomsten;
Art. 1: De gemeenteraad keurt het in bijlage van dit besluit opgenomen reglement onderwijscheques goed.
Art. 2: Het reglement onderwijscheques is van toepassing op alle aanvragen vanaf 1 januari 2026.
Art. 3: Dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen onderwijscheques.
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, art. 40;
Gelet op de omzendbrief betreffende het lokaal sociaal beleid van 9 februari 2018;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 10 maart 2025 van het herwerkte reglement vrijetijdsparticipatie;
Overwegende dat deze aanpassingen in toekenningsvoorwaarden de doelgroep en specifiek de meest kwetsbaren beter omlijnen;
Overwegende dat het gemeentebestuur van Koksijde inzet op toegankelijke en drempelverlagende hulp- en dienstverlening;
Overwegende dat de toekenningsvoorwaarden gelijklopend moeten zijn voor de diverse tussenkomsten;
Art. 1: De gemeenteraad keurt het in bijlage van dit besluit opgenomen reglement vrijetijdsparticipatie goed.
Art. 2: Het reglement vrijetijdsparticipatie is van toepassing op alle aanvragen vanaf 1 januari 2026.
Art. 3: Dit reglement vervangt alle voorgaande reglementen vrijetijdsparticipatie.
Gelet op Decreet Lokaal Bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikels 2, 40 §3 en 41 23°;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 18 oktober 2004 houdende reglementering met betrekking tot het verlenen van een subsidie voor het gebruik van tuinnetten, als alternatief voor milieuschadelijke tuinproducten;
Overwegende dat gemeentelijke premies één van de beleidsinstrumenten om lokale milieu-, natuur- en klimaatdoelstellingen mee te helpen realiseren, dat in dit geval beoogd werd te sensibiliseren rond het voorkomen van pesticiden in eigen moestuin door een subsidie te voorzien voor de aankoop van tuinnetten, dat het oorspronkelijke reglement dateert van 2004; dat de meerwaarde van deze subsidie op vandaag beperkt is (fervente tuiniers doen aan de juiste teeltwisseling, mixen de juiste plantensoorten, ... om vraat of ziekten te beperken; minder (schadelijke) pesticiden in de handel, kostprijs van een tuinnet is beperkt, aantal aanvragen uitgedoofd); dat er op andere manieren blijvend kan worden gecommuniceerd en gesensibiliseerd;
Overwegende het voorstel van de dienst Milieu & Duurzame Ontwikkeling om dit reglement nu ook formeel te beëindigen.
Art. 1. Het besluit van de gemeenteraad van 18 oktober 2004 houdende reglementering met betrekking tot het verlenen van een subsidie voor het gebruik van tuinnetten als alternatief voor milieuschadelijke tuinproducten wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2026.
Gelet op het artikel 40 van het decreet lokaal bestuur;
Gelet op de omzendbrief van 11 april 1995 van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Vast Secretariaat voor het Preventiebeleid, waarmee de gemeenten worden aangemaand een reglement op te maken voor het toekennen van premies aan personen die werken uitvoeren om hun woning tegen inbraak te beveiligen;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 waarbij een gemeentelijk reglement tot het toekennen van premies ter aanmoediging van de beveiliging tegen inbraak werd goedgekeurd voor de periode 2020-2025;
Overwegende de positieve bijdrage van deze premie aan de inbraakpreventie;
Overwegende dat deze uitgave opgenomen werd in het ontwerp van het meerjarenplan 2026-2031;
Overwegende dat deze uitgave in het verleden steeds in aanmerking kwam voor terugbetaling via de subsidies van het strategisch veiligheids- en preventieplan;
Art. 1: Het in bijlage van dit besluit opgenomen gemeentelijk reglement tot het toekennen van premies ter aanmoediging van de beveiliging tegen inbraak wordt goedgekeurd voor de periode 2026-2031.
Gelet op het artikel 40 van het decreet lokaal bestuur;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 waarbij het gemeentelijk reglement betreffende de toekenning van premies ter aanmoediging van de beveiliging van fietsen en bromfietsen tegen diefstal 2020-2025 werd goedgekeurd;
Overwegende dat deze uitgave opgenomen werd in het ontwerp van het meerjarenplan 2026-2031;
Overwegende de toename van het aantal dure elektrische fietsen;
Overwegende het belang van een goed fietsslot om fietsdiefstal te voorkomen;
Overwegende dat deze uitgave in het verleden steeds in aanmerking kwam voor terugbetaling via de subsidies van het strategisch veiligheids- en preventieplan;
Art. 1: Het in bijlage van dit besluit opgenomen gemeentelijk reglement tot het toekennen van premies ter aanmoediging van de beveiliging van fietsen en bromfietsen tegen diefstal wordt goedgekeurd voor de periode 2026-2031.
Gelet op artikelen 41, 162 en 170, §4 van de gecoördineerde Grondwet;
Gelet op artikel 464/1, 1° van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992;
Gelet op artikel 2.1.4.0.2 en artikel 3.1.0.0.4 van het decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 41, 2e lid,14°;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende het voorstel van het college van burgemeester en schepenen om de opcentiemen op de onroerende voorheffing te wijzigen en vast te leggen per aanslagjaar voor de periode vanaf aanslagjaar 2026 tot en met 2031; dat de ontvangst is voorzien in het meerjarenplan 2026-2031;
Overwegende dat het gerechtvaardigd is om een billijke financiële tussenkomst te vragen van de belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven;
Art. 1: De opcentiemen op de onroerende voorheffing worden voor de gemeente Koksijde als volgt bepaald per aanslagjaar vanaf aanslagjaar 2026:
| voor het aanslagjaar | worden geheven |
| 2026
|
1200 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
| 2027
|
1160 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
| 2028
|
1160 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
| 2029
|
1140 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
| 2030
|
1100 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
| 2031
|
1100 opcentiemen op de onroerende voorheffing |
Art. 2 : De vestiging en de inning van de gemeentebelasting gebeuren door de Vlaamse Belastingdienst.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, §4 van de gecoördineerde Grondwet;
Gelet op de artikelen 464 tot en met 470/2 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992;
Gelet op artikel 40 en 41 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat het gerechtvaardigd is een billijke financiële tussenkomst te vragen van de inwoners van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven; dat de ontvangst voorzien is in het meerjarenplan 2026-2031;
Art. 1. Belastbare grondslag en belastbare periode
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
Art. 2. Berekeningsgrondslag en tarief of aanslagvoet
De belasting wordt vastgesteld op 5 % van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar. Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
Art. 3. Wijze van inning
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting gebeuren door het bestuur der directe belastingen, zoals bepaald in artikel 469 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40, en 41, 2e lid,14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende dat de belasting op tweede verblijven bovenal een forfaitaire weeldebelasting is op het gebruik van een luxegoed, ongeacht het inkomen van de belastingplichtige;
Overwegende dat het gebruik van de tweede verblijven zorgt voor periodieke toenames van de bevolking en dat de gemeentelijke voorzieningen aan die toenames moeten aangepast worden; dat deze capaciteitsuitbreiding een last legt op de financiële mogelijkheden van de gemeente; dat het aantal tweede verblijvers aanleiding geeft tot verhoogde kosten inzake o.m. veiligheid, afvalbeleid en aanleg en onderhoud van het openbaar domein; dat de bevolkingstoename zorgt voor verhoogde druk op de gemeentelijke en veiligheidsdienstverlening; dat deze omvang van de verhoogde druk niet voorzienbaar is en afhankelijk van de aanwezigheid van de tweede verblijvers in tweede verblijven; dat het gemeentebestuur en haar veiligheidsdiensten die toenamen in de dienstverlening moeten voorzien, wat inhoudt dat meer personeel moet ingezet worden, personeel dat niet in dezelfde orde rendeert op andere momenten; en dit in vergelijking met andere gemeenten met gelijk aantal inwoners maar zonder eenzelfde hoeveelheid tweede verblijven; dat de tweede verblijvers evenzeer toegang krijgen tot gemeentelijke dienstverlening, de openbare voorzieningen en infrastructuur van de gemeente; dat er door de gemeente extra wordt geïnvesteerd in noodzakelijke ophaal van huisvuil van tweede verblijvers;
Overwegende de beleidsdoelstellingen opgenomen in het strategisch meerjarenplan 2026-2031, geformuleerd in o.m. de actieplannen;
Overwegende dat het criterium voor de bepaling van de tarieven de oppervlakte van de woongelegenheid is; de belasting op tweede verblijven maakt een onderscheid naargelang de woongelegenheid groter of maximaal gelijk is aan 40 m², vermits kleine woongelegenheden die maximum 40 m² beslaan door de beperkte oppervlakte minder verblijvers aantrekken;
Overwegende dat wanneer werken of een combinatie van werken in het tweede verblijf worden uitgevoerd, die van die aard zijn dat deze gedurende een langere periode, zijnde meer dan zes maanden, onbewoonbaar of onbruikbaar is, een vrijstelling te verantwoorden is. Om te verhinderen dat de eigenaar de werken gaat spreiden over meerdere jaren, om op die manier de belasting te ontlopen, wordt de vrijstelling beperkt tot maximaal twee jaren. Het voorleggen van bewijsstukken van de ingrijpende werken is noodzakelijk;
Overwegende dat woongelegenheden die voor minstens 9 jaar verhuurd zijn aan een erkende woonmaatschappij, aan de gemeentelijke grondregie van Koksijde of aan het OCMW Koksijde een sociaal doel dienen dat van algemeen belang kan worden geacht en het gemeentebestuur de beschikbaarheid van sociale woningen wenst te stimuleren met het oog op het behalen van het sociaal objectief, wordt hiervoor een vrijstelling verleend;
Overwegende dat wanneer een tweede verblijf het voorwerp van een onteigeningsplan uitmaakt, de belastingplichtige gedeeltelijk en in een later stadium zelfs volledig het beschikkingsrecht verliest. Omdat dit de mogelijkheid tot gebruik van de woongelegenheid ernstig in het gedrang brengt of totaal verhindert, is een belasting niet gepast;
Art. 1. : definitie
1° een tweede verblijf is een private woongelegenheid die voor de eigenaar of de huurder of de gebruiker ervan niet tot hoofdverblijf dient. Dient niet tot hoofdverblijfplaats: een private woongelegenheid waarvoor niemand is ingeschreven in de bevolkingsregisters van Koksijde op 1 januari van het aanslagjaar. Ten aanzien van de gebruiker van het tweede verblijf wordt geen rekening gehouden met verdere onderverhuring, tijdelijke verhuring of gratis gebruiksverlening van de woongelegenheid.
De hoedanigheid van het tweede verblijf wordt beoordeeld op 1 januari van het aanslagjaar.
2° worden beschouwd als tweede verblijf:
3° worden beschouwd als klein tweede verblijf: een tweede verblijf met een bruto bewoonbare oppervlakte van kleiner dan of gelijk aan 40 vierkante meter. De bruto bewoonbare oppervlakte wordt gerekend van buitenmuur tot buitenmuur met inbegrip van de verdiepingen, maar met uitsluiting van een terras, kelderruimte of niet bewoonbare zolderruimte.
4° worden niet beschouwd als tweede verblijf:
Art. 2. : belastbaar feit
Er wordt van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de tweede verblijven.
Art. 3. : belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke-, feitelijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van het tweede verblijf.
§2. In geval van levenslang bewoningsrecht, vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd respectievelijk door de houder van het levenslang bewoningsrecht, de vruchtgebruiker, de opstalhouder of de erfpachthouder op 1 januari van het aanslagjaar. De eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§3. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§4. In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§5. In geval van overlijden en de erfgenamen onbekend zijn, wordt de belasting ingekohierd op “Nalatenschap + (naam overledene)” aan het adres van de curator van de onbeheerde nalatenschap. Indien geen curator is aangesteld, wordt de belasting op het adres van de laatste woonplaats van de overledene ingekohierd.
In geval van overlijden en indien niet alle erfgenamen gekend zijn, wordt de belasting ingekohierd op de onverdeeldheid “Nalatenschap + (naam overledene)” aan het adres van de echtgeno(o)t(e) of (één van de) kind(eren) of één van de andere bloedverwanten of een gekende erfgenaam of notaris belast met de verdeling of aangestelde curator.
Art. 4: tarief en berekening
Het tarief per tweede verblijf en per klein tweede verblijf wordt voor het aanslagjaar 2026 als volgt vastgesteld:
- 1.200,00 euro voor een tweede verblijf;
- 980,00 euro voor een klein tweede verblijf;
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar door de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar verschuldigd.
Art. 5: Vrijstellingen
Op aanvraag van de belanghebbende wordt er vrijstelling van de belasting verleend wanneer de belastingplichtige kan aantonen dat:
Art. 6 : invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 7 : bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Art. 8: bekendmaking
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41, 2e lid,14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het Gewestplan en de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende dat de belasting op verblijfplaatsen in zones voor verblijfsrecreatie bovenal een forfaitaire weeldebelasting is op het gebruik van een luxegoed, ongeacht het inkomen van de belastingplichtige;
Overwegende dat het gebruik van de verblijfplaatsen in verblijfsrecreatiezone zorgt voor periodieke toenames van de bevolking en dat de gemeentelijke voorzieningen aan die toenames moeten aangepast worden; dat deze capaciteitsuitbreiding een last legt op de financiële mogelijkheden van de gemeente; dat het aantal verblijfplaatsen in verblijfsrecreatiezone aanleiding geeft tot verhoogde kosten inzake o.m. veiligheid, afvalbeleid en aanleg en onderhoud van het openbaar domein; dat de bevolkingstoename zorgt voor verhoogde druk op de gemeentelijke en veiligheidsdienstverlening; dat deze omvang van de verhoogde druk niet voorzienbaar is en afhankelijk van de aanwezigheid van de eigenaars of zakelijk gerechtigden van een verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone of de gebruikers van de verblijfplaatsen in verblijfsrecreatiezone; dat het gemeentebestuur en haar veiligheidsdiensten die pieken in de dienstverlening moeten voorzien, wat inhoudt dat meer personeel moet ingezet worden, personeel dat niet in dezelfde orde rendeert op andere momenten; en dit in vergelijking met andere gemeenten met gelijk aantal inwoners maar zonder eenzelfde aantal verblijfplaatsen in verblijfsrecreatiezone; dat de eigenaars of zakelijk gerechtigden van een verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone of de gebruikers ervan evenzeer toegang krijgen tot gemeentelijke dienstverlening, de openbare voorzieningen en infrastructuur van de gemeente;
Overwegende de beleidsdoelstellingen opgenomen in het strategisch meerjarenplan 2026-2031, geformuleerd in o.m. de actieplannen;
Overwegende dat het criterium voor de bepaling van de tarieven de oppervlakte van de niet-mobiele verblijfplaats is; de belasting op verblijfplaatsen in zones voor verblijfsrecreatie maakt een objectief onderscheid naargelang de verblijfsplaats kleiner of maximaal gelijk is aan 40 m² is; de verblijfsmogelijkheden zijn beperkter voor verblijfplaatsen met een maximale oppervlakte van 40 m²;
Overwegende dat een mobiele verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone door zijn aard onderscheiden wordt van een niet-mobiele verblijfplaats;
Overwegende dat wanneer werken of een combinatie van werken in de verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone worden uitgevoerd, die van die aard zijn dat deze gedurende een langere periode, zijnde meer dan zes maanden, onbewoonbaar of onbruikbaar is, een vrijstelling te verantwoorden is. Om te verhinderen dat de eigenaar de werken gaat spreiden over meerdere jaren, om op die manier de belasting te ontlopen, wordt de vrijstelling beperkt tot maximaal twee jaren. Het voorleggen van bewijsstukken van de ingrijpende werken is noodzakelijk;
Overwegende dat wanneer een verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone het voorwerp van een onteigeningsplan uitmaakt, de belastingplichtige gedeeltelijk en in een later stadium zelfs volledig het beschikkingsrecht verliest. Omdat dit de mogelijkheid tot gebruik van de verblijfplaats ernstig in het gedrang brengt of totaal verhindert, is een belasting niet gepast;
Art. 1. : definitie
Art. 2. : belastbaar feit
Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse belasting gevestigd op de verblijfplaatsen gelegen in zones voor verblijfsrecreatie op het grondgebied van de gemeente Koksijde, volgens de toestand op 1 januari van het aanslagjaar.
Art. 3. : belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke- of rechtspersoon die eigenaar is van de verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone. Zijn belastingplicht geldt ook wanneer de verblijfplaats verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt.
§2. In geval van vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die vruchtgebruiker, opstalhouder of erfpachthouder is. Zijn belastingplicht geldt ook wanneer de verblijfplaats verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt. De natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is, is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting
§3. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn deel. Zijn belastingplicht geldt ook wanneer de verblijfplaats verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§4. In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Zijn belastingplicht geldt ook wanneer de verblijfplaats verhuurd wordt of tijdelijk niet gebruikt wordt. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§5. In geval van overlijden en de erfgenamen onbekend zijn, wordt de belasting ingekohierd op “Nalatenschap + (naam overledene)” aan het adres van de curator van de onbeheerde nalatenschap. Indien geen curator is aangesteld, wordt de belasting op het adres van de laatste woonplaats van de overledene ingekohierd.
In geval van overlijden en indien niet alle erfgenamen gekend zijn, wordt de belasting ingekohierd op de onverdeeldheid “Nalatenschap + (naam overledene)” aan het adres van de echtgeno(o)t(e) of (één van de) kind(eren) of één van de andere bloedverwanten of een gekende erfgenaam of notaris belast met de verdeling of aangestelde curator.
Art. 4: tarief
Het tarief per verblijfplaats wordt voor het aanslagjaar 2026 als volgt vastgelegd:
- 1.200,00 euro voor een niet-mobiele verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone;
- 980,00 euro voor een kleine niet-mobiele verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone;
- 600,00 euro voor een mobiele verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone;
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is jaarlijks en ondeelbaar verschuldigd door de belastingplichtige.
Art. 5 : bijzondere bepalingen
§1 Vrijstelling wordt verleend aan
§2. De belasting op verblijfplaatsen gelegen in zones voor verblijfsrecreatie is niet van toepassing op de verblijfplaats die blijkens een voorlopige of definitieve inschrijving in de bevolkingsregister als hoofdverblijfplaats wordt gebruikt of waarvoor een declaratief attest van woonrecht wordt vastgesteld op de wijze bepaald in het besluit van de Vlaamse regering betreffende de declaratieve attestering van het bestaan, het niet bestaan of het verval van het woonrecht in de zin van artikel 5.4.3. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
§3. De belasting op tweede verblijven is niet van toepassing op de verblijfplaats gelegen in een zone voor verblijfsrecreatie.
Art. 6: invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 7. : bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Art. 8: bekendmaking
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, §4 van de grondwet;
Gelet op het decreet van 11 februari 2022 tot wijziging van het decreet van 5 februari 2016 houdende toeristische logies en tot opheffing van het decreet van 18 juli 2003 betreffende de verblijven en verenigingen die een werking uitoefenen in het kader van "Toerisme voor Allen" en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 5 februari 2016 houdende toeristische logies en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van 17 maart 2017 van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies en de bijlagen bij dit besluit;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40 en, 41, 2e lid, 14°;
Gelet op de omzendbrief van 19 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente Koksijde;
Overwegende dat aan het toeristisch beleid vorm wordt gegeven door de financiële inspanningen van de gemeente Koksijde via haar toeristische dienst, de toelage aan de vzw VVV Koksijde-Oostduinkerke en de evenementen georganiseerd door de gemeente en gericht op het betalend verblijfstoerisme; dat het gemeentebestuur financiële middelen inzet op de promotie en ondersteuning van toeristische logies en inspanningen levert die de verdere ontwikkeling van de toeristische sector mogelijk maakt; dat het bijgevolg billijk is om een financiële tussenkomst te vragen aan de logiesverstrekkende sector die voordeel haalt uit de specifieke financiële inspanningen van de gemeente;
Overwegende dat de logiesverstrekkende sector op deze manier een bijdragend vermogen genereert dat haar in staat stelt de belasting te voldoen;
Overwegende de beleidsdoelstellingen opgenomen in het strategisch meerjarenplan 2026-2031, geformuleerd in o.m. de actieplannen;
Overwegende dat de mededeling, melding aan of erkenning door Toerisme Vlaanderen op basis van het decreet van 5 februari 2016 houdende het toeristische logies, en latere wijzigingen richtinggevend, doch niet exclusief is voor de belastbaarheid van het toeristisch logies en voor de categorie waarin ze belast worden; dat niet-aangemelde, niet-erkende toeristisch logies evenzeer belast worden op basis van de werkelijke toestand waarin ze aangeboden worden als toeristisch logies in de zin van dit besluit op basis van de inlichtingen waarover de gemeente beschikt;
Overwegende dat de tariefdifferentiaties op een vereenvoudigde wijze worden ingevoerd; dat er hierbij een objectieve verantwoording bestaat voor categorieën en verschillen in tarieven o.m. gelet op het gebruik, de organisatie en het bijdragend vermogen van een toeristisch logies;
Overwegende dat de belasting op de explotatie van kamergerelateerd toeristisch logies niet cumuleerbaar is met de belasting op de exploitatie van terreingebonden toeristisch logies ;
Overwegende dat vrijstelling wordt voorzien voor specifiek aanbod gericht op jeugdverblijf in door het decreet houdende het toeristische logies erkende verblijven die ingedeeld zijn in categorie jeugdverblijf of hostel (artikel 9/1 decreet houdende het toeristische logies) en in door het decreet Toerisme voor Allen erkende jeugdverblijfcentra (gelet op de voorziene overgangsfase); dat dit garanties biedt voor de kwaliteit en de toegankelijkheid van het aanbod naar de jeugd toe; dat op die manier veel jeugd kennis maakt met de kust via zeeklassen en dat het gemeentebestuur door deze vrijstelling dit aanbod verder wil ondersteunen;
Overwegende dat het billijk is om in een vrijstelling te voorzien voor accommodaties voor jeugdvakanties of -verblijven. Op die manier kunnen de kosten die jeugdverenigingen of -groepen hebben voor het organiseren van een verblijf in de gemeente worden gedrukt;
Overwegende dat om redenen van efficiëntie voor zowel de uitbater als de gemeente geopteerd wordt voor een forfaitaire belasting voor de exploitatie van kamergerelateerd toeristisch logies; dat de uitbater alsdan geen register hoeft bij te houden van de overnachtingen per nacht per persoon en een kwartaalaangifte; dat de verwerking voor de gemeente efficiënter gebeurt en de werklast minimaal is;
Art. 1: belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting geheven op het exploiteren van een kamergerelateerd toeristisch logies gelegen op het grondgebied van de gemeente.
De belasting wordt toegepast ook als de exploitant voor de exploitatie niet beschikt over de nodige wettelijke en/of reglementaire vergunningen. Het aanrekenen en betalen van de belasting houdt niet in dat automatisch een exploitatievergunning is toegekend. De belasting wordt toegepast, ook al blijven de kamergerelateerde toeristisch logies onbezet.
Art. 2: definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verwezen naar de definities en de bepalingen in de regelgeving inzake toeristisch logies en wordt verstaan onder:
Art. 3: belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door diegene die het kamergerelateerd toeristisch logies exploiteert. Ingeval er voor een toeristisch logies sprake is van meerdere exploitanten, is de belasting door hen hoofdelijk verschuldigd. De eigenaar van het onroerend goed waarin de exploitatie is gevestigd is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting. Indien de exploitant niet gekend is, wordt de eigenaar van het onroerend goed, waarin het toeristisch logies wordt uitgebaat, geacht de exploitant te zijn.
§2. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§3. In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
Art. 4: berekeningsgrondslag en tarieven
Het tarief van de belasting wordt voor het aanslagjaar 2026 als volgt vastgesteld:
- voor de categorie hotel/gastenkamerexploitatie: 275,00 euro per verhuureenheid
- voor de categorie hostel: 55,00 euro per verhuureenheid;
- voor de categorie vakantiewoning, volgens de capaciteit aan personen waarvoor de vakantiewoning is uitgerust en per vakantiewoning:
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is ondeelbaar en voor het ganse jaar verschuldigd door de belastingplichtige.
Art. 5: vrijstellingen
Zijn van de belasting vrijgesteld:
Om recht te hebben op één van de hierboven vermelde vrijstellingen dient de belastingplichtige de nodige bewijsstukken aan het gemeentebestuur – dienst gemeentebelastingen over te maken.
Art. 6: Vestiging van de belasting
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Art. 7: Aangifteplicht
Bij de eerste aangifte ontvangt de belastingplichtige van het gemeentebestuur een aangifteformulier en bezorgt dit ingevuld, ondertekend en gedateerd terug.
De indiening kan gebeuren per post of digitaal.
Indien de belastingplichtige geen aangifteformulier heeft ontvangen, kan deze het aangifteformulier kosteloos afhalen bij de bevoegde administratie (Financiële dienst – belastingen, Zeelaan 303, 8670 Koksijde) of downloaden op de website van het gemeentebestuur www.koksijde.be of aanvragen op het e-mailadres belastingen@koksijde.be .
De aangifte moet minstens de volgende vermeldingen te bevatten:
Zowel de belastingplichtigen die een aangifteformulier hebben ontvangen, als de belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, zijn ertoe gehouden om uiterlijk op 15 september van het aanslagjaar aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijk gegevens ter beschikking te stellen. Na een eerste aangifte, wordt de belasting automatisch geheven op basis van alle gegevens die bij het gemeentebestuur gekend zijn.
Alle belastingplichtigen zijn ertoe gehouden elke wijziging van de bovenvermelde gegevens op eigen initiatief aan het gemeentebestuur bekend te maken binnen de maand na wijziging ervan.
Art. 8: Meldingen
De exploitant van een kamergerelateerd toeristisch logies moet in geval van de stopzetting ervan, van de (tijdelijke) sluiting ervan en bij het starten van een nieuwe exploitatie ingevolge de overdracht ervan dit binnen de maand meedelen aan het gemeentebestuur Koksijde, dienst gemeentebelastingen.
In geval van de overdracht van de exploitatie moeten de gegevens van de nieuwe exploitant (naam, adres, en, in voorkomend geval, ondernemingsnummer) eveneens worden medegedeeld.
Art. 9: Ambtshalve aanslag
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, kan de belasting ambtshalve gevestigd worden volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen, voorziene bepalingen.
Op de ambtshalve ingekohierde belasting zal een belastingverhoging worden toegepast van 25% en afzonderlijk in het kohier en op het aanslagbiljet worden vermeld.
Art. 10: bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Art. 11: bekendmaking
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, §4 van de grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41, 2e lid, 14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente Koksijde;
Overwegende dat aan het toeristisch beleid vorm wordt gegeven door de financiële inspanningen van de gemeente Koksijde via haar toeristische dienst, de toelage aan de vzw VVV Koksijde-Oostduinkerke en de evenementen georganiseerd door de gemeente en gericht op het betalend verblijfstoerisme; dat het gemeentebestuur financiële middelen inzet op de promotie en ondersteuning van toeristische logies en inspanningen levert die de verdere ontwikkeling van de toeristische sector mogelijk maakt; dat het bijgevolg billijk is om een financiële tussenkomst te vragen aan de logiesverstrekkende sector die voordeel haalt uit de specifieke financiële inspanningen van de gemeente;
Overwegende dat de logiesverstrekkende sector op deze manier een bijdragend vermogen genereert dat haar in staat stelt de belasting te voldoen;
Overwegende de beleidsdoelstellingen opgenomen in het strategisch meerjarenplan 2026-2031, geformuleerd in o.m. de actieplannen;
Overwegende dat de tariefdifferentiaties op een vereenvoudigde wijze worden ingevoerd; dat er een objectieve verantwoording bestaat voor categorieën en verschillen in tarieven; dat hierbij onder meer rekening wordt gehouden met het bijdragend vermogen dat gegenereerd wordt door een terreingebonden toeristisch logies en de verschillende verblijfsvormen (o.a. naar aard, capaciteit, comfort, hygiëne, onderhoud en duurtijd);
Overwegende dat de belasting op de exploitatie van terreingebonden toeristisch logies niet cumuleerbaar is met de belasting op de exploitatie van kamergerelateerd toeristisch logies en evenmin met de belasting op verblijfplaatsen in verblijfsrecreatiezone en de belasting op tweede verblijven;
Overwegende dat het billijk is om in een vrijstelling te voorzien voor accommodaties voor jeugdvakanties of -verblijven. Op die manier kunnen de kosten die jeugdverenigingen of -groepen hebben voor het organiseren van een verblijf in de gemeente worden gedrukt; dat op die manier veel jeugd kennis maakt met de kust en dat het gemeentebestuur door deze vrijstelling dit aanbod verder wil ondersteunen; dat de vrijgestelde toeristisch logies redelijkerwijze als minder financieel draagkrachtig kunnen worden beschouwd;
Overwegende dat om redenen van efficiëntie voor zowel de exploitant als de gemeente geopteerd wordt voor een forfaitaire belasting voor de exploitatie van terreingebonden toeristisch logies; dat de uitbater alsdan geen register hoeft bij te houden van de overnachtingen per nacht per persoon en geen kwartaalaangifte moet doen; dat op die manier ook de verwerking voor de gemeente efficiënter gebeurt en de werklast minimaal is;
Art. 1: belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een belasting geheven op het exploiteren van een terreingebonden toeristisch logies, zoals gedefinieerd in artikel 2 van dit besluit, gelegen op het grondgebied van de gemeente.
De belasting wordt toegepast ook als de exploitant voor de exploitatie niet beschikt over de nodige wettelijke en/of reglementaire vergunningen. Het aanrekenen en betalen van de belasting houdt niet in dat automatisch een exploitatievergunning is toegekend. De belasting wordt toegepast, ook al blijven de terreingebonden toeristisch logies onbezet.
Art. 2: definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Art. 3: belastingplichtige.
De belasting is verschuldigd door diegene die het terreingebonden toeristisch logies exploiteert. Ingeval er voor een toeristisch logies sprake is van meerdere exploitanten, is de belasting door hen hoofdelijk verschuldigd. De eigenaar van het onroerend goed waarin de exploitatie is gevestigd is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting. Indien de exploitant niet gekend is, wordt de eigenaar van het terrein, waarop het terreingebonden toeristisch logies wordt uitgebaat, geacht de exploitant te zijn.
De exploitant van een terreingebonden toeristisch logies moet in geval van de stopzetting ervan, van de (tijdelijke) sluiting ervan en bij het starten van een nieuwe exploitatie ingevolge de overdracht ervan dit binnen de maand meedelen aan het gemeentebestuur Koksijde, dienst gemeentebelastingen.
In geval van de overdracht van de exploitatie moeten de gegevens van de nieuwe exploitant (naam, adres, en, in voorkomend geval, ondernemingsnummer) eveneens worden medegedeeld.
Art. 4: berekeningsgrondslag en tarieven
§1. Het tarief van de belasting voor een verblijfplaats op een toeristisch logies in een als camping, camperterrein of afgeleide benaming uitgebate exploitatie wordt per plaats voor het aanslagjaar 2026 vastgesteld volgens de capaciteit van voormelde plaats:
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is ondeelbaar en voor het ganse jaar verschuldigd door de belastingplichtige.
§2. Het tarief van de belasting voor een plaats op een toeristisch logies in een als camping, camperterrein of afgeleide benaming uitgebate exploitatie wordt voor het aanslagjaar 2026 als volgt vastgesteld:
- per seizoensplaats: 200,00 euro;
- per toeristische kampeerplaats/camperplaats: 110,00 euro;
- per plaats op een tentenweide: 55,00 euro
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is ondeelbaar en voor het ganse jaar verschuldigd door de belastingplichtige.
§3. Het tarief van de belasting voor een plaats op een toeristisch logies gelegen in landbouwzone op eenzelfde of aanpalende kadastraal perceel waarop het hoofdverblijf is gevestigd en waar aan de verplaatsbare of niet-verplaatsbare verblijven geen afzonderlijk huisnummer toegekend wordt of voor een plaats op een toeristisch logies gelegen op hetzelfde kadastraal perceel van een hoofd- of tweede verblijf in woonzone of van een verblijfplaats in verblijfsrecreatiezone in de vorm van één of meerdere (extra) verplaatsbare of niet-verplaatsbare verblijven of zogenoemde tinyhouse(s) (met eigen badkamer en keukenfaciliteiten), waar autonoom van het hoofd- of tweede verblijf of de verblijfplaats verbleven kan worden en die niet als camping, camperterrein of afgeleide benaming, term, vertaling of schrijfwijze van een van die benamingen zijn bestemd of ingericht of geacht vergund te zijn, wordt per plaats voor het aanslagjaar 2026 vastgesteld volgens de capaciteit van voormelde plaatsen in landbouwzone, woonzone of verblijfsrecreatiezone waarop door logerende toeristen in een verplaatsbaar of niet-verplaatsbaar verblijf kan worden overnacht, of die daarvoor bestemd of ingericht is:
Het tarief wordt jaarlijks verhoogd met 2,5%, waarbij de verhoging telkens wordt berekend op het tarief dat geldt voor het voorafgaande aanslagjaar. Het bedrag zal na verhoging worden afgerond naar de hogere euro.
De belasting is ondeelbaar en voor het ganse jaar verschuldigd door de belastingplichtige.
Art. 5: vrijstellingen
Zijn van de belasting vrijgesteld:
Om recht te hebben op één van de hierboven vermelde vrijstellingen dient de belastingplichtige de nodige bewijsstukken aan het gemeentebestuur – dienst gemeentebelastingen over te maken.
Art. 6: Vestiging van de belasting
De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 7: Aangifteplicht
Bij de eerste aangifte ontvangt de belastingplichtige van het gemeentebestuur een aangifteformulier en bezorgt dit ingevuld, ondertekend en gedateerd terug.
De indiening kan gebeuren per post of digitaal.
Indien de belastingplichtige geen aangifteformulier heeft ontvangen, kan deze het aangifteformulier kosteloos afhalen bij de bevoegde administratie (Financiële dienst – belastingen, Zeelaan 303, 8670 Koksijde) of downloaden op de website van het gemeentebestuur www.koksijde.be of aanvragen op het e-mailadres belastingen@koksijde.be.
De aangifte moet minstens de volgende vermeldingen te bevatten:
Zowel de belastingplichtigen die een aangifteformulier hebben ontvangen, als de belastingplichtigen die geen aangifteformulier hebben ontvangen, zijn ertoe gehouden om uiterlijk op 15 september van het aanslagjaar aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijk gegevens ter beschikking te stellen. Na een eerste aangifte, wordt de belasting automatisch geheven op basis van alle gegevens die bij het gemeentebestuur gekend zijn.
Alle belastingplichtigen zijn ertoe gehouden elke wijziging van de bovenvermelde gegevens op eigen initiatief aan het gemeentebestuur bekend te maken binnen de maand na wijziging ervan.
Art. 8: Ambtshalve aanslag
Bij gebrek aan aangifte binnen de in artikel 7 gestelde termijn, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte, kan de belasting ambtshalve gevestigd worden volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt mits inachtneming van de in artikel 7 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen, voorziene bepalingen.
Op de ambtshalve ingekohierde belasting zal een belastingverhoging worden toegepast van 25% en afzonderlijk in het kohier en op het aanslagbiljet worden vermeld.
Art. 9: bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Art. 10: bekendmaking
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder artikelen 2, 40 en 41, 2e lid,14°;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op de omzendbrief van 19 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende dat, met het oog op een behoorlijke inning van de gemeentebelastingen, het past verwijlintresten voor de laattijdige betalingen te vorderen of moratoire intresten toe te kennen bij de terugbetaling van belastingen;
Art.1: Voor een termijn beginnend op 01 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 en bij gebrek aan dergelijke vermelding in de eigenlijke belastingsreglementen, worden verwijlintresten toegepast inzake laattijdige betalingen van gemeentebelastingen of moratoire intresten toegekend bij de terugbetalingen van Gemeentebelastingen.
Art.2: De verwijl- en moratoire intresten worden berekend volgens de regelen van toepassing voor de directe staatsbelastingen, zoals voorzien in het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art.3: De invordering van de verwijlintresten en de terugbetaling van de moratoire intresten geschiedt door de financieel directeur overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur ,in het bijzonder de artikelen 40 en 41, 2e lid,14°, en latere wijzigingen;
Gelet op het KB van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs en latere wijzigingen;het MB van 20 juli 2005 tot bepaling van de betalingswijze van de in het KB van 23 maart 1998 (en latere wijzigingen) betreffende het rijbewijs bepaalde retributies, en latere wijzigingen;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit nr. KB ABB 2019/2van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding;
Gelet op de omzendbrief van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken te Brussel van 15/09/2017 geldig vanaf 01/01/2018 inzake reisdocumenten voor niet-Belgen;
Gelet op de rechtsregels en onderrichtingen van de FOD Binnenlandse Zaken betreffende identiteitskaarten (eID), vreemdelingenkaarten (EVK), Kids-ID;
Gelet op de rechtsregels en onderrichtingen van de FOD Buitenlandse Zaken betreffende paspoorten;
Overwegende het feit dat de gemeentebelasting bovenop de door andere overheden ten laste van de aanvrager vastgelegde aanmaakkosten, consulaire of andere rechten, kosten voor spoedprocedure komt voor de persoon aan wie het stuk wordt afgeleverd; dat ook voor de afgifte van een rijbewijs, een voorlopig rijbewijs of een internationaal rijbewijs een gemeentebelasting wordt aangerekend bovenop de aanmaakkosten voor dekking van de door de gemeente gemaakte kosten; dat de kosten ten laste zijn van de aanvrager en moeten betaald worden ten laatste bij afgifte van het stuk;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1: Voor een termijn aanvang nemend op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt onder de volgende voorwaarden, een belasting geheven op de in vaste vorm of in elektronische vorm gedane afgifte van administratieve stukken zoals biometrische internationale reispaspoorten, elektronische identiteitskaarten Belgen, elektronische vreemdelingenkaarten, uittreksels, rijbewijzen, getuigschriften, afschriften, attesten, resultaat van opzoekingen en/of andere stukken.
Art. 2: De gemeentebelasting is verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersonen of instellingen aan wie de gevraagde documenten (in vaste vorm of in elektronische vorm) door de gemeente, op schriftelijk of elektronisch verzoek of ambtshalve worden uitgereikt. De aanvrager is solidair gehouden tot het betalen van de belasting.
De aanmaakkosten, consulaire of andersgenoemde rechten en eventuele bijkomende kosten voor spoedprocedure worden vastgesteld door de resp. uitgevende overheidsdienst en komen – bovenop deze belasting – ten laste van degene die het document ontvangt. De aanvrager is solidair gehouden tot betalen van deze kosten en vergoedingen.
De (aangetekende) verzendingskosten per post worden aangerekend aan de ontvanger van de documenten tegen kostprijs. De aanvrager is solidair gehouden tot betalen van deze kosten en vergoedingen.
Art. 3: De gemeentebelasting wordt als volgt vastgesteld:
3.1. inzake afgifte van documenten, passen en akten uitgaande van de dienst burgerzaken (de kosten van aanmaak en eventuele consulaire of andersgenoemde rechten en eventuele bijkomende kosten voor spoedprocedure aangerekend door andere overheden of instanties zijn altijd ten laste van de belastingplichtige die het stuk aanvraagt of aan wie ze wordt afgeleverd):
3.2. Opzoekingen naar naam en adres van eigenaars wordt onderworpen aan het tarief van 1,00 euro per eigendom met een minimum van 5,00 euro voor de totale opvraging.
3.3. Voor het maken van kopieën van goedgekeurde reglementen wordt een tarief toegepast van 2,50 euro per reglement, eventueel vermeerderd met de verzendingskosten.
3.4. Alle mogelijke opzoekingen gedaan door de gemeentediensten en niet voorzien in de vorige rubrieken zoals bvb. genealogische opzoekingen, toegelaten door de griffie van de R.E.A. van het ambtsgebied uit oude bevolkingsregisters of archief, opzoekingen in archief, enz... zijn onderworpen aan het tarief van 60,00 euro per uur geleverd werk, eventueel vermeerderd met de verzendingskosten.
3.5. Voor de afgifte van een vergunning voor strandvisserij is een belasting van 25,00 euro van toepassing.
Art. 4 : De belasting wordt geheven op het ogenblik van de afgifte van het belastbare document (in vaste of in elektronische vorm).
Het bewijs van de betaling van de belasting blijkt uit het ontvangstbewijs, afgeleverd op het ogenblik van de betaling in speciën of elektronisch.
De aan de belasting onderworpen personen of instellingen die een verzoek tot het bekomen van één of ander document indienen, moeten op het ogenblik van hun aanvraag het bedrag van de belasting alsmede de eventuele aanmaak- en/of spoed- of superspoedprocedurekosten en/of consulaire of andersgenoemde rechten en/of de verzendingskosten in consignatie geven indien dit document (in vaste of in elektronische vorm) niet onmiddellijk bij de aanvraag afgeleverd kan worden.
Wanneer aan natuurlijke of rechtspersonen, overheids- of privé-instellingen afgiften van administratieve stukken opgestuurd worden, zelfs als deze stukken kosteloos afgeleverd worden, dan dienen alle verzendingskosten (zoals aangerekend door Bpost of de verzendinstantie) betaald te worden door deze natuurlijke of rechtspersonen, overheids- of privé-instellingen.
Art. 5 : De belasting moet zonder uitstel betaald worden tegen afgifte van een kwitantie.
De personen of instellingen die weigeren de vastgestelde belasting contant te betalen, moeten het bedrag van de belasting in consignatie geven van de financieel directeur totdat de bevoegde overheid over hun bezwaar heeft beslist. De financieel directeur geeft hun hiervoor een ontvangstbewijs af.
Bij gebrek aan onmiddellijke betaling of kwijting binnen de acht dagen, wordt de belasting ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Uitzondering wordt gemaakt voor de rechten, die de met het afgeven van reispassen belaste gemeenten van ambtswege toekomen en waarvan in het besluit van de Regent dd. 26 juli 1948 sprake is.
Art. 6 : Zijn van de belasting vrijgesteld: de gerechtelijke overheden en de overheden waarvoor een wettelijke of decretale bepaling in een vrijstelling voorziet.
Art. 7 : Met ingang van 1 januari 2026 wordt het door de gemeenteraad op 1 mei 2023 goedgekeurde belastingreglement op de afgifte van administratieve documenten - 2023-2025, opgeheven.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, , en latere wijzigingen, hierna afgekort als DGPB; dat hierin het minimumtarief decretaal verplicht wordt gesteld, dat dit minimumtarief gekoppeld is aan de evolutie van de ABEX-index;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en latere wijzigingen, in het bijzonder op het artikel 40 §3, artikel 41 14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding houdende de onderrichtingen betreffende de gemeentefiscaliteit
Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening, afgekort als VCRO;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende dat de gemeente het wenselijk acht om potentiële woonlocaties vrij te maken en om grondspeculatie tegen te gaan; dat het wenselijk is om realiseerbare onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels te activeren in de gemeente;
Overwegende dat de activeringsheffing eigenaars van die gronden en kavels daartoe aanspoort;
Overwegende het meerjarenplan van de gemeente Koksijde voor 2026-2031, meer bepaald het woonbeleid;
Art. 1. : definitie
Art. 2. : belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een jaarlijkse gemeentebelasting, genoemd activeringsheffing, gevestigd op de onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels die voorkomen in het gemeentelijk register van onbebouwde percelen.
Art. 3. : belastingplichtige
§1. De activeringsheffing is ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel.
§2. Indien er een recht van vruchtgebruik of opstal of erfpacht bestaat, is de activeringsheffing ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar verschuldigd door de persoon die op 1 januari van het aanslagjaar vruchtgebruiker of erfpachter of opstalhouder is.
§3. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§4. In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§5. Ingeval van overdracht van eigendom is de nieuwe eigenaar de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari die volgt op de datum waarop de overdracht van rechten onder de partijen heeft plaats gehad.
Als datum van overdracht van rechten onder partijen wordt genomen de datum van het verlijden van de akte voor de notaris.
Art. 4. : berekeningsgrondslag en tarief
§1. De belasting wordt bepaald volgens het aantal jaren dat de onbebouwde bouwgrond of de onbebouwde kavel in het register van onbebouwde percelen staat opgenomen:
* aantal aanslagjaren na verwerving van het zakelijk recht op het onroerend goed.
De minimale aanslag bedraagt 750 euro per onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel.
Onbebouwde bouwgronden of onbebouwde kavels verworven voorafgaand aan het jaar 2026 en reeds opgenomen in het register van onbebouwde percelen worden voor de toepassing van het tarief beschouwd als zijnde een jaar opgenomen in het register van onbebouwde percelen.
§2. De belasting is ineens en voor heel het jaar verschuldigd volgens de toestand op 1 januari van het aanslagjaar. De belasting is jaarlijks en ondeelbaar verschuldigd door de belastingplichtige
§3 De belasting is verschuldigd per onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel als zodanig vermeld in de verkavelingsvergunning.
§4. Als oppervlakte van een onbebouwde bouwgrond geldt de oppervlakte die is vastgelegd in de kadastrale legger. Als oppervlakte van een onbebouwde kavel geldt de oppervlakte die is vastgelegd in de verkavelingsvergunning. De oppervlakte wordt afgerond naar de bovenliggende vierkante meter.
§5. Wanneer de onbebouwde bouwgrond volledig in een woongebied ligt wordt de belasting berekend op de volledige oppervlakte van de onbebouwde bouwgrond, los van de vraag of deze oppervlakte al dan niet volledig bebouwbaar is.
Wanneer de onbebouwde bouwgrond niet volledig in een woongebied ligt wordt de belasting alleen berekend op het gedeelte van de oppervlakte gelegen in het woongebied.
Het deel van de kavel waarbij de woonfunctie of aan de woonfunctie aanhorige functie uitgesloten is, wordt ook niet meegerekend als belastbare oppervlakte.
§6. Het optrekken van een gebouw dat niet strookt met de voor het hoofdgebouw voorgeschreven stedenbouwkundige voorschriften volstaat niet om het perceel als bebouwd te beschouwen.
§7. Samengevoegde percelen behouden ongeacht het tijdstip waarop ze in eigendom werden verkregen, elk hun eigen statuut van afzonderlijk perceel tot de bevoegde overheid toelating geeft om deze samen te voegen.
§8. Onbebouwde bouwgronden of onbebouwde kavels welke dienst doen als tuin naast het bebouwde perceel van de belastingplichtige, worden belast zolang er een omgevingsvergunning voor deze onbebouwde bouwgronden of onbebouwde kavels kan verkregen worden, dit in tegenstelling tot art. 3.2.9 van het decreet grond- en pandenbeleid.
Na toelating van de bevoegde overheid tot samenvoeging met het perceel, waarop het hoofdgebouw zich bevindt, vervalt de activeringsheffing.
Art. 5. : vrijstellingen
De vrijstellingen voorzien in de artikelen 3.2.7 tot en met 3.2.11 van het Decreet op het Grond- en Pandenbeleid zijn niet van toepassing.
Enkel de vrijstellingen en ontheffingen opgenomen in dit artikel zijn van toepassing in de gemeente Koksijde.
§1. Van de activeringsheffing zijn vrijgesteld:
§2. Een vrijstelling gedurende vijf aanslagjaren wordt toegekend aan
§3. De onbebouwde kavels begrepen in een verkavelingsvergunning die geen werken omvat of uitsluitend werken bestaande uit het aanleggen van nieuwe en/of aanpassen van bestaande nutsvoorzieningen, worden vrijgesteld voor het aanslagjaar volgend op het jaar waarin de verkavelingsvergunning werd verleend.
De onbebouwde kavels begrepen in een verkavelingsvergunning die wel werken omvat buiten de werken bestaande uit het aanleggen van nieuwe en/of aanpassen van bestaande nutsvoorzieningen, voor het aanslagjaar volgend op het jaar waarin het attest is afgeleverd waaruit blijkt dat alle in de verkavelingsvergunning opgelegde voorwaarden en lasten zijn uitgevoerd of dat voor de uitvoering van de lasten een afdoende financiële waarborg is gestort of op onherroepelijke wijze door een bankinstelling werd verleend.
§4. De activeringsheffing wordt niet geheven op bouwgronden en kavels die tijdens het aanslagjaar niet voor bebouwing kunnen worden bestemd:
§5. Indien sommige mede-eigenaars, krachtens de bovenstaande bepalingen zijn vrijgesteld, wordt de belasting onder de overige mede-eigenaars, in verhouding tot hun deel in het perceel, verrekend.
§6. De door eerdere belastingreglementen verworven vrijstellingen blijven geldig en komen niet te vervallen.
Art. 6. : invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 7. : bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Art. 8: bekendmaking
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41, 2e lid,14°;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende dat de behandeling van omgevingsvergunning bijkomend werk vereist door de gemeentelijke diensten; dat deze belasting kan aanzien worden als een bijdrage in de openbare uitgaven en verantwoord is omdat extra bebouwing extra kosten voor de gemeente (bv. infrastructuurwerken) en extra lasten voor de inwoners van de gemeente kan meebrengen; dat de bouwwerken een impact hebben op het openbaar domein en de omgeving door de bijkomende slijtage, onderhoud en herstellingen van wegen en verharde bermen, bijkomende kosten voor beheer en onderhoud van gemeentelijk rioleringsstelsel, omgevingshinder voor omwonenden;
Overwegende dat de vrijstelling voor de door bemiddeling van de erkende woonmaatschappijen gebouwde woningen, verantwoord wordt door de doelstelling om kwaliteitsvol en betaalbaar sociaal wonen in Koksijde mogelijk te maken;
Overwegende dat de stallingen, loodsen en bergingen van landbouwbedrijven, welke uitsluitend voor landbouwexploitatie gebruikt worden, op het platteland zijn gevestigd en weinig omgevingshinder voor omwonenden hebben; dat de woongelegenheden gelijk behandeld worden als andere woongelegenheden;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art.1: Voor een termijn beginnend op 01.01.2026 en eindigend op 31.12.2031 wordt een belasting geheven op het bouwen, herbouwen en verbouwen van een goed (woningen of gebouwen).
Art.2: De belasting is verschuldigd door de houder van de stedenbouwkundige vergunning/ omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning of door degene die ze heeft overgenomen.
De eigenaar van het ge-, ver- of herbouwde goed is hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
In geval van onverdeeldheid, is één eigenaar de belasting verschuldigd en zijn andere onverdeelde eigenaars van het ge-, ver- of herbouwde goed hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
In geval van vruchtgebruik, recht van opstal of recht van erfpacht is de belasting verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die vruchtgebruiker, opstalhouder of erfpachthouder is. Een natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is, is solidair gehouden tot betaling van de belasting.
Indien echtgenoten of wettelijk samenwonenden zakelijk gerechtigden zijn, dan volstaat dat de aanslag gevestigd wordt ten name van één van de echtgenoten of wettelijk samenwonenden. De niet belaste echtgenoot of wettelijk samenwonende is de belasting hoofdelijk verschuldigd.
Art.3: De belasting wordt berekend voor de vergunde bouwwerken naar rato van het totaal volume van het ge-, ver- of herbouwde goed, met inbegrip van de bruikbare ondergrondse gedeelten, maar met uitzondering van de eigenlijke grondvesten.
Volgend principe wordt toegepast behoudens ingeval van uitzonderingen zoals hieronder beschreven: de belasting wordt vastgesteld op 1,50 euro per kubieke meter (met een minimum aanslag van 25,00 euro) voor:
Uitzondering 1: Dit tarief wordt teruggebracht tot 0,75 euro per kubieke meter wanneer het nieuw-, ver- of herbouw betreft die helemaal niet tot bewoning of verblijf van personen bestemd is, met een minimumaanslag van 25,00 euro.
Uitzondering 2: Wanneer het ge-, ver- of herbouwde goed een industriële onderneming betreft, wordt het tarief bepaald op :
met een minimumaanslag van 25,00 euro.
De tot bewoning bestemde gedeelten van ge- of herbouwde industriële ondernemingen worden belast aan het tarief van 1,50 euro per kubieke meter.
Elk gedeelte van een kubieke meter wordt beschouwd als een kubieke meter.
De kubieke grootte van het gebouwde of een gerealiseerde bouwlaag wordt vastgesteld per meting. De gemene muren alsook de muren die bestemd zijn om later gemeen te worden, zijn enkel berekend op de helft van de dikte. De meting wordt gedaan langs de buitenkant van de gebouwen.
Art.4: Voor de toepassing van dit besluit moet worden verstaan onder :
1) "gerealiseerde bouwlaag" : de kelder-, dak-, gelijkvloerse of verdieping waarvan de ruwbouw beëindigd is, al dan niet met afwerking van de binnen- en/of buitenmuren;
2) "onder dak komen" : de afwerking van het ge-, ver- of herbouwde goed in die mate dat de ruwbouw is afgewerkt met inbegrip van de nok van het dak.
Art.5: Indien bij een bestaand gebouw één of meer verdiepingen bijgebouwd of opgetrokken worden, wordt de belasting berekend volgens de kubieke inhoud van het bijgebouwde gedeelte, de belasting niet meer verschuldigd zijnde voor de reeds bestaande gedeelten, voor zover deze laatste niet afgebroken worden vóór de wederopbouw.
Art.6: Voor het bouwen van een op de openbare weg uitgevende afsluitingsmuur, is een belasting van 0,50 euro per lopende meter verschuldigd.
Art.7: Worden vrijgesteld van deze belasting :
1° het herbouwen van door oorlogsgeweld of door brand, vandalisme en terrorisme vernielde gebouwen, voor zover het oorlogsgeweld of terrorisme werd erkend door de Federale Overheid. De vrijstelling geldt enkel voor de herbouwing die niet als vergroting van het vernielde gebouw kan worden aangezien.
2° de woningen gebouwd door bemiddeling van de erkende woonmaatschappijen.
3° de woningen gebouwd onder de voorwaarden gesteld door het Vlaams Gewest met het oog op het verlenen van premies voor de bouw, op privaat initiatief, van sociale woningen en kleine landeigendommen.
4° de gebouwen welke als voorlopig worden aanzien :
a. deze welke binnen een tijdsverloop van hoogstens één jaar te rekenen van de dag tot toelating van bouwen worden gesloopt.
b. de alleenstaande afdaken.
5° de gebouwen die opgericht worden krachtens een toelating verleend ten voorlopige titel, als zij worden afgebroken in hetzelfde tijdsverloop als voorzien onder 4°a. hiervoor, tenzij een langer tijdsbestek in die toelating werd voorgeschreven.
6° constructies die aan alle zijden open zijn.
7° de stallingen, loodsen en bergingen van landbouwbedrijven, welke uitsluitend voor landbouwexploitatie gebruikt worden. De woongelegenheden behorend bij een landbouwbedrijf worden niet vrijgesteld van deze belasting.
8° de aanhorigheden (kleiner dan 40 m²) die zonder stedenbouwkundige vergunning/ omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning gebouwd kunnen worden.
9° De gebouwen, opgetrokken in het algemeen belang door publiekrechtelijke rechtspersonen of door verenigingen zonder winstoogmerk. voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening of voor onderwijs.
Art.8: Zodra de belastingschuldigen de toelating tot bouwen en verbouwen hebben gekregen, dienen zij het bedrag van de belasting bij de gemeenteontvanger in consignatie te geven. Deze consignatie kan geschieden hetzij in speciën hetzij door middel van een bankgarantie op eerste verzoek.
Deze consignatie brengt geen intrest op ten voordele van de bouwheer of degene die ze stelt.
Art.9: De gebouwen opgericht op de grenslijn tussen twee gemeenten worden alleen belast voor het gedeelte dat zich op het grondgebied van de gemeente Koksijde bevindt.
Art.10: De belasting is eisbaar :
Art 11: De belasting moet zonder uitstel betaald worden tegen afgifte van een kwitantie.
Bij gebrek aan onmiddellijke betaling of kwijting binnen de acht dagen, wordt de belasting ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Art.12: Het belastingtarief wordt vastgesteld volgens de regelen bepaald in het belastingreglement welke van kracht is op het ogenblik van de afgifte van de stedenbouwkundige vergunning/ omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning.
Art.13: Bij aflevering van de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of na meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning zal de bouwheer een bedrag consigneren voor de eventuele schade aan het openbaar domein, de openbare weg, de gelijkgrondse bermen en/of trottoirs. Deze waarborg bedraagt:
- voor ééngezinswoningen : 250 euro per 10 meter eigendomslengte langsheen het openbaar domein met een minimum van 500 euro en een maximum van 2.500 euro;
- voor meergezinswoningen en voor andere bestemmingen dienstige bouwwerken : 500 euro per 5 meter eigendomslengte langsheen het openbaar domein met een minimum van 2.500 euro. Deze waarborg kan gesteld worden door middel van een bankwaarborg op eerste verzoek.
Deze waarborgen brengen geen intrest op ten voordele van de bouwheer of degene die ze stelt en worden - op schriftelijk verzoek van degene die ze gesteld heeft - terugbetaald na afwerking van de bouwwerken wanneer geen schade is vastgesteld aan het openbaar domein.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder de artikelen 2, 40 en 41, 2e lid,14°;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en latere wijzigingen;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het besluit van de gemeenteraad van 23 september 2013 van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor parkeerplaatsen en fietsenstallingen;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende de bekommernis van het gemeentebestuur om te voorzien in voldoende openbare parkeerruimte voor autovoertuigen teneinde te beantwoorden aan de mobiliteit van personen op het grondgebied van de gemeente; dat inzake nieuwbouw of herbouwen of vernieuwbouwen of renoveren de bouwheren de nodige parkeerplaatsen creëren op privaat domein, om de druk op de openbare ruimte te beperken;
Overwegende dat bij het ontbreken van een parkeerplaats bij een gebouw en op het eigen terrein, kan worden gesteld dat de openbare parkeerruimte wordt belast, in eerste instantie in de directe omgeving van het gebouw;
Overwegende dat door deze belasting de bouwheren gestimuleerd worden bij de nieuwbouw, herbouw, vernieuwbouw of bij verbouwingswerken de nodige parkeerplaatsen te voorzien; dat de bedoeling is dat bouwheren voldoende parkeerplaatsen scheppen; dat vastgesteld wordt dat het belastingtarief voldoende hoog wordt gezet ter stimulering van het aanleggen van parkeerplaatsen;
Art. 1: Met ingang van 1 januari 2026 en voor een termijn eindigend op 31 december 2031 wordt een belasting geheven op het ontbreken van parkeerplaatsen bij bouwwerken waarvoor de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen parkeerplaatsen voorziet zoals bepaald in de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor parkeerplaatsen en fietsenbergingen van 23 september 2013.
De normen, de afmetingen en de ligging van parkeerplaatsen werden vastgelegd in de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor parkeerplaatsen en fietsenbergingen van 23 september 2013.
Art. 2: De belasting is verschuldigd door:
1) de houder van een stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen
a) die, op grond van deze vergunning, ontheven wordt van de verplichting of in de onmogelijkheid verkeert één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voorgeschreven parkeerplaatsen aan te leggen, mits het betalen van deze belasting;
b) die één of meer van de in de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen verplicht aan te leggen parkeerplaatsen niet heeft aangelegd;
2) de eigenaar die een andere bestemming geeft aan parkeerplaats(en), welke voor een stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in aanmerking genomen werden voor de berekening van het aantal nodige parkeerplaatsen en in zoverre de inrichting blijft bestaan waaraan deze parkeerplaatsen verbonden zijn.
3) de eigenaar die een al dan niet vergunningsplichtige functiewijziging doorvoert en één of meerdere parkeerplaatsen die volgens de stedenbouwkundige verordening/omgevingsvergunning moesten aangelegd worden, niet aanlegt of wijzigt van bestemming.
Art. 3: Wordt de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen overgenomen voor de aanvang van de bouwwerken of tijdens de bouwwerken, dan zijn de vergunninghouder en de overnemer van de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen solidair gehouden tot de betaling van de belasting op het ontbreken van parkeerplaatsen.
Art. 4: Het belastingtarief bedraagt 8.000 euro per ontbrekende parkeerplaats.
Voor de niet vervallen stedenbouwkundige/omgevingsvergunningaanvragen voor stedenbouwkundig handelingen ontvangen op het gemeentebestuur tot en met 31.12.2025 en waarvoor nog geen definitief proces-verbaal van vaststelling van ontbrekende parkeerplaatsen werd opgemaakt, blijft het belastingtarief behouden zoals bepaald in het belastingreglement van toepassing op de datum van de ontvangst op het gemeentebestuur van de stedenbouwkundige aanvraag/omgevingsvergunningaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen.
In de zin van dit artikel wordt “de datum van ontvangst van de stedenbouwkundige aanvraag/omgevingsaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen” gelezen als volgt:
Art. 5: Na afgifte door het College van Burgemeester en Schepenen van de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen moet de belastingplichtige, op het eerste verzoek van het gemeentebestuur, het vermoedelijk bedrag van de belasting bij de financieel directeur in consignatie geven.
De consignatie kan gebeuren in speciën of door een bancaire waarborg op eerste verzoek. De consignatie in speciën brengt geen intresten op voor degene die ze stelt.
Het vermoedelijk bedrag wordt vastgesteld door berekening van het tarief voorzien hierboven te vermenigvuldigen met het aantal ontbrekende parkeerplaatsen volgens de bepalingen opgenomen in de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening voor parkeerplaatsen en fietsenbergingen van 23 september 2013 en latere wijzigingen
Wordt de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen overgenomen voor de aanvang van de bouwwerken of tijdens de bouwwerken, dan zijn de vergunninghouder en de overnemer van de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen solidair gehouden tot het in bewaring geven van het vermoedelijk bedrag.
In geval het geconsigneerde bedrag dit van de belasting zou overtreffen, wordt het teveel gestorte aan de belastingplichtige teruggegeven. Dit teveel geconsigneerde brengt geen intresten op.
Art. 6: De belasting is verschuldigd één jaar nadat het hoofdgebouw onder dak staat, de ruwbouw van de verbouwingswerken beëindigd werd, of het gebouw, eventueel gedeeltelijk, wordt bewoond of gebruikt.
In het geval van bestemmingswijziging van een parkeerplaats is de belasting verschuldigd één jaar na de ingediende stedenbouwkundige aanvraag/omgevingsvergunningaanvraag voor stedenbouwkundige handelingen / meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning of na de betekening door de gemeente van de ambtshalve vastgestelde bestemmingswijziging.
Art. 7: De vaststelling dat het gebouw onder dak staat, dat de ruwbouw van de verbouwingswerken beëindigd is, of dat het gebouw, eventueel gedeeltelijk, bewoond of gebruikt wordt, geschiedt door de daartoe aangestelde beambte van het gemeentebestuur door middel van een proces-verbaal, waarin tevens het werkelijk aantal ontbrekende parkeerplaatsen op het ogenblik van de vaststelling wordt vermeld. Dit proces-verbaal wordt aan de belastingplichtige toegestuurd, die vanaf de datum van ontvangst over één jaar beschikt om eventueel het aantal parkeerplaats(en) aan te vullen.
Na het verstrijken van de termijn van één jaar wordt een tweede vaststelling gedaan door de aangestelde beambte en wordt in een proces-verbaal het definitief aantal ontbrekende parkeerplaatsen en de verschuldigde belasting vastgesteld.
Zowel bij de eerste als bij de tweede vaststelling wordt de belastingplichtige acht kalenderdagen vooraf per aangetekend schrijven uitgenodigd om bij de vaststelling aanwezig te zijn.
Art. 8: De belastingplichtige kan het aantal ontbrekende parkeerplaats(en) aanvullen en zo de heffing van de belasting vermijden door het realiseren van een enkelvoudige en objectieve stedenbouwkundige binding tussen een “geldige parkeerplaats” en een hoofdgebouw, de parkeerplaats moet gelegen zijn binnen een omtrek van 400 meter berekend tussen de uiterste grenzen van de percelen waar zich respectievelijk de parkeerplaats en het hoofdgebouw bevinden.
Als “geldige parkeerplaats” komt in aanmerking
- de parkeerplaats waarvan de stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen werd afgeleverd na 01.01.1995 en die niet eerder in aanmerking werd genomen om te voldoen aan de verplichting tot het aanleggen van parkeerplaatsen.
- de parkeerplaats waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist was op het ogenblik van de aanleg ervan, voor zover die parkeerplaats na 01.01.1995 werd aangelegd en niet eerder in aanmerking werd genomen om te voldoen aan de verplichting tot het aanleggen van parkeerplaatsen, mits voorleggen van een gedocumenteerd bewijs van het bestaan van deze parkeerplaats.
Hiertoe wordt tussen de eigenaar van de parkeerplaats en de bouwheer van het hoofdgebouw een overeenkomst gesloten waarbij de parkeerplaats wordt aangewezen om te voldoen aan de verplichting tot het aanleggen van parkeerplaatsen dat het voorwerp uitmaakt van de desbetreffende stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen van het hoofdgebouw.
De eigendom van een parkeerplaats wordt aangetoond door overmaken van een kopie van de akte van aankoop van de parkeerplaats aan de aangestelde beambte.
Het sluiten van de overeenkomst impliceert uiteraard dat de bedoelde parkeerplaats niet meer in aanmerking kan worden genomen om te voldoen aan de verplichting tot het aanleggen van parkeerplaatsen die voortspruit uit de realisatie van een ander bouwwerk. Deze bepaling moet in de overeenkomst worden opgenomen.
Deze overeenkomst van stedenbouwkundige binding moet in het bevoegde Kantoor van de Registratie geregistreerd worden.
Art. 9: De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier, met toepassing van de bepalingen van het Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen en latere wijzigingen.
Art. 10: Dit reglement is van toepassing op alle bouwdossiers waarvan op datum van de inwerkingtreding van dit reglement nog geen definitief proces-verbaal werd opgesteld.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en latere wiizigingen, en uitvoeringsbesluiten ervan;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40, 41, 2e lid,14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op de omzendbrief van 20 september 2024 nr KBBJ/ABB/2024/1 over de toepassing van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en uitvoeringsbesluiten ervan;
Overwegende de beslissing om de tarieven van de grafconcessies uit te breiden in die zin dat meerdere niet-inwoners kunnen genieten van het tarief van inwoners;
Worden ook met inwoners gelijkgesteld: de personen geboren in Koksijde, Oostduinkerke of Wulpen en de personen die hier meer dan 20 jaar gewoond hebben, de personen die een verwante tot in de tweede graad hebben die woont in Koksijde op het moment van overlijden alsook de personen waarvan een familielid tot in de tweede graad reeds in Koksijde begraven is en oorlogsslachtoffers die in dienst van het vaderland gestorven zijn;
Overwegende de bezorgdheid voldoende plaats te hebben op de begraafplaatsen; dat de mogelijkheid wordt geboden om in een dubbele kelder of nis een bijkomende kleine kist te bergen; dat elke gemeente voor haar inwoners voldoende begraafmogelijkheden moet voorzien ten haren laste en dat het niet kan dat er omwille van kostprijs gekozen wordt om in een andere gemeente begraven te worden; dat dit de belangrijkste reden is om een ander tarief toe te passen voor niet-inwoners
Overwegende dat een regeling dient te worden uitgewerkt wanneer afstand wordt gedaan van de concessie wegens opgraving of crematie; dat er evenwel hierbij rekening wordt gehouden met de noodzaak dat dit niet om de haverklap gebeurt en de sereniteit en orde op de begraafplaats gerespecteerd moet worden; dat een terugbetaling wordt uitgewerkt waarbij een vaste kost die de administratieve meerkosten dekt, verschuldigd blijft;
Overwegende dat voor inwoners de keuze voor een urnengraf voortaan ook gratis voor een periode van 10 jaar moet aangeboden worden, zoals ook al het geval voor begrafenissen in volle grond zonder concessie;
Overwegende dat indien een collectieve ontgraving plaats vindt in opdracht van Lokaal Bestuur Koksijde van zone(s) op de gemeentelijke begraafplaatsen bestemd voor begrafenissen in volle grond (of in een urnengraf) zonder concessie alwaar de termijn van 10 jaar grafrust verlopen is, stelt het college van burgemeester en schepenen aan de gemeenteraad voor om de ontgravingstaks niet langer aan te rekenen, indien de familie van de overledene de stoffelijke resten wil herbegraven in een perceel (of urnenkelder of columbarium nis) met concessie op een Koksijdse begraafplaats; dat de kosten voor de herbegraving en voor de concessie ten laste van de aanvrager zijn;
Overwegende dat het voorvalt dat overlevende familieleden, op het moment dat de collectieve ontgraving wordt aangekondigd op de begraafplaats door het gemeentebestuur, laten weten dat ze de stoffelijke resten uit een zone bestemd voor begraven in volle grond zonder concessie waarvan de termijn van 10 jaar grafrust is verstreken willen herbegraven in een nieuwe concessie op een Koksijdse gemeentelijke begraafplaats, mits het voldoen van de eraan verbonden belastingen; (idem in geval van urnengraf zonder concessie);
Overwegende dat indien de familie van de overledene voor het verstrijken van de 10 jaar grafrust of in geval er geen collectieve ontruiming door het gemeentebestuur is aangekondigd, de stoffelijke resten wil laten herbegraven, dan blijft de ontgravingsbelasting verschuldigd door de aanvrager;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1. Voor de periode beginnend op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt een indirecte belasting geheven ten laste van de aanvrager voor het begraven van een inwoner van de gemeente, een met een inwoner gelijkgestelde persoon of een niet-inwoner d.m.v. een concessie van 50 jaar in een grafkelder of in een columbarium-nis of in een urnenkelder in het urnenveld of voor begraven in volle grond, voor de as-verstrooiing en voor de ontgravingen.
Art. 2. De belasting is verschuldigd door de natuurlijke persoon die de grafconcessie, de as-verstrooiing of de ontgraving aanvraagt.
Art. 3. Voor de toepassing van deze belasting worden volgende definities gebruikt:
§1. als inwoner van de gemeente worden beschouwd:
§2 als personen gelijkgesteld met inwoners worden beschouwd:
§3 Alle andere personen worden beschouwd als niet-inwoner van de gemeente Koksijde.
Art. 4. De belasting voor begrafenisconcessie van een inwoner van de gemeente of een met een inwoner gelijkgestelde persoon bedraagt:
§1. Gratis gedurende 10 jaar voor:
§2. Voor een concessie van 50 jaar in volle grond: 700 euro
§3. voor een concessie van 50 jaar in een grafkelder, urnenkelder of columbarium-nis van 1 persoon: 700 euro
§4. voor een concessie van 50 jaar in een grafkelder, urnenkelder of columbarium-nis van 2 personen: 925 euro
§5 voor de bij-plaatsing van een bijkomende kleine kist of boventallige urne in een grafkelder, urnengraf of -kelder of columbarium-nis: 120 euro
§6 de bijzetting van een urne van een huisdier is gratis mits de plaatsing samen met de overledene gebeurt. Indien niet samen, is een kost van 120 euro verschuldigd.
Art. 5. De belasting voor begrafenisconcessie van een niet-inwoner van de gemeente Koksijde bedraagt:
§1. Voor begrafenis zonder concessie in volle grond voor 10 jaar / urnengraf of nis in columbarium (1 of 2 personen mits gelijktijdige bij-plaatsing) zonder concessie 10 jaar: 1.350 euro
§2. Voor een concessie in volle grond voor 50 jaar: 2.100 euro
§3. voor een concessie van 50 jaar in een grafkelder, urnenkelder of columbarium-nis van 1 persoon: 2.100 euro
§4 voor een concessie van 50 jaar in een grafkelder, urnenkelder of columbarium-nis van 2 personen: 2.500 euro
§5 voor de bij-plaatsing van een bijkomende kleine kist of boventallige urne in een grafkelder, urnengraf of -kelder of columbarium-nis: 350 euro
§6 de bijzetting van een urne van een huisdier is gratis mits de plaatsing samen met de overledene gebeurt. Indien niet samen, is een kost van 350 euro verschuldigd.
Art. 6. Concessies zoals hiervoor bepaald kunnen hernieuwd worden op dezelfde plaats mits betaling van de op het ogenblik van de aanvraag vastgestelde tarieven.
Eveneens kan een niet-geconcedeerd graf/urnenkelder/columbariumnis omgezet worden naar een concessie. In dat geval is de tarief van de concessie op dat moment van toepassing, waarbij de verlopen tijd van de bewaartermijn van de resterende termijn van de concessie wordt afgetrokken. De belasting op de ontgraving en verplaatsingskosten zijn ten laste van de aanvrager en dienen voor de verplaatsing geconsigneerd te worden bij de financieel directeur van de gemeente.
Art. 7. Alle onkosten waartoe het verlenen van de concessies aanleiding zou kunnen geven zijn voor rekening van de aanvrager/concessiehouder.
Art. 8. Indien door de concessie-aanvrager/-houder of zijn rechtsopvolgers schriftelijk en onvoorwaardelijk afstand wordt gedaan van de toegekende grafconcessie die betaald werd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, kan het gemeentebestuur overgaan tot terugkoop van de afgestane grafconcessie. De terugkoop gebeurt tegen de destijds betaalde concessieprijs verminderd met de waarde van de reeds verstreken termijn. Maximaal kan veertigvijftigsten van de destijds betaalde concessieprijs worden terugbetaald. Er gebeurt geen verrekening van mogelijke intresten.
Art. 9. Onder geen beding wordt de toeslag betaald voor de bijzetting van een niet-inwoner afgetrokken of terugbetaald bij de verplaatsing of het terugkopen van de concessie.
Art. 10. Het belastingtarief op het uitstrooien van de as op de as-weide van een gecremeerde niet-inwoner wordt vastgesteld op 250 euro.
Art. 11. Het belastingtarief op de ontgravingen van graven in volle grond en grafkelders wordt vastgesteld op 750 euro.
Deze belasting is evenwel niet verschuldigd voor:
1. de ontgravingen die op bevel van de gerechtelijke overheden uitgevoerd worden;
2. de ontgravingen die moeten geschieden met het oog op het overbrengen van een oude naar een nieuwe begraafplaats, van lijken begraven in niet-vervallen concessies;
3. de ontgravingen van oorlogsslachtoffers die in dienst van het vaderland gestorven zijn.
4. de ontgravingen die gebeuren naar aanleiding van de beslissing door de gemeente Koksijde van de collectieve ontruiming van zones bestemd voor niet-geconcedeerde begravingen waarvan de termijn van 10 jaar bewaartermijn is verstreken.
Art. 12. De belasting dient zonder uitstel betaald te worden tegen afgifte van een kwitantie. Bij gebrek aan onmiddellijke betaling of kwijting binnen de termijn van dertig dagen, indien een schuldvordering wordt opgestuurd voor overschrijving op een gemeenterekening, wordt de belasting ingevorderd door opname van de belastingschuld in een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen.
Art. 13. Het belastingreglement op de begravingen of de ontgravingen - 2021-2025, goedgekeurd door de gemeenteraad op 27 april 2021 wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2026.
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 41, 2e lid, 14°;
Gelet op het decreet van 16 januari 2004 betreffende de begraafplaatsen en de lijkbezorging en latere wijzigingen;
Gelet op de omzendbrief van 20 september 2024 nr KBBJ/ABB/2024/1 over de toepassing van het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging en uitvoeringsbesluiten ervan;
Overwegende de evolutie van de prijzen die de gemeente dient te betalen voor het leveren en plaatsen van grafkelder, urnenkelder of columbariumnis; dat de kostprijs voor een columbariumnis sterk gestegen is; dat de prijs varieert naargelang er plaats is voor 1 of 2 personen; dat de prijzen gevraagd aan de aanvragers voor gebruik van een kelder of nis aangepast worden aan de prijsevolutie;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1. Voor elke aanvraag tot begraven in een grafkelder, urnenkelder urnenveld of urnengraf, columbariumnis of urnenkelder, ingediend vanaf 01.01.2025 voor een periode eindigend op 31.12.2031 wordt een retributie gevestigd op de levering en plaatsing van een grafkelder, columbariumnis of urnenkelder ten laste van de aanvrager.
Art. 2. De retributie bedraagt:
Art. 3. Deze retributie is verschuldigd door de aanvrager, die een aanvraag mondeling of schriftelijk, in persoon of via een begrafenisondernemer, indient bij het gemeentebestuur tot begraven in een grafkelder, columbariumnis of urnenkelder van een overledene.
Art. 4. De retributie is te betalen contant tegen afgifte van een kwitantie of binnen de dertig dagen na ontvangst factuur door overschrijving op een bank- of postrekening van de gemeente Koksijde.
Art. 5. Vrijstelling van retributie in geval van bijzetting van een asurn in een columbarium en een asurn in een urnenkelder nav de begrafenis van een persoon ingeschreven in de bevolkingsregisters, het vreemdelingen- of wachtregister van de gemeente en dit tot verval van de bewaartermijn van 10 jaar. (decretale verplichting)
Art. 6. Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota..
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 en latere wijzigingen, dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie.
Art. 7. De gemeentelijke belasting voor het verkrijgen van een concessie op de begraafplaatsen, vastgesteld in een afzonderlijk gemeenteraadsbesluit, is niet begrepen in de bedragen vermeld in artikel 2 van dit besluit.
Gelet de het decreet van 16 januari 2004 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging, en latere wijzigingen;
Gelet op artikel 41, 2de lid, 14° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat het billijk is dat de aanvrager van de dienstverlening om een asurne weg te nemen uit een grafkelder, columbarium of urnenveld instaat voor de kosten die ermee gepaard gaan, met inbegrip van de eventuele kosten van een externe gespecialiseerde firma;
Art. 1: Vanaf 1 januari 2026 tot en met 31 december 2031 is de aanvrager van de dienstverlening tot verwijdering van een asurne uit een grafkelder, columbarium of urnenveld een retributie verschuldigd aan de gemeente volgens de bepalingen van dit besluit.
Art. 2: De retributie bedraagt steeds 125 euro per verwijderde asurne. Deze retributie wordt verhoogd met de kosten van de begrafenisondernemer of het grafzerkenbedrijf wanneer de tussenkomst van dergelijke gespecialiseerde onderneming vereist is teneinde grafschade te voorkomen. Inzake verwijdering van een asurne uit een grafkelder of urnenveld kan steeds de tussenkomst van een gespecialiseerde firma vereist zijn.
Eenzelfde retributie geldt voor de ontgraving van asurnen van huisdieren.
Art. 3: De aanvrager consigneert de retributie bij de aanvraag tot verwijdering. Hiertoe wordt aan de aanvrager een kostennota overgemaakt met verzoek de retributie van 125 euro verhoogd met het vermoedelijke bedrag van de kosten van de gespecialiseerde firma te betalen op een rekening geopend door het Gemeentebestuur.
De verwijdering van de asurne kan niet plaatsvinden vooraleer de consignatie is gebeurd.
De consignatie brengt geen intresten op ten voordele van degene die ze stelt.
De aanvraag vervalt indien de retributie niet geconsigneerd is binnen de dertig kalenderdagen na verzending van de kostennota.
Art. 4: Wanneer de asurne verwijderd is, wordt de retributie definitief vastgesteld door de gemeente en verrekend met de al dan niet reeds betaalde geconsigneerde som.
De afrekening van de werkelijke kosten van de gespecialiseerde firma gebeurt door verzenden van een bijkomende kostennota indien de werkelijke kosten hoger zijn dan het geconsigneerde bedrag, verminderd met de retributiekost van 125 euro. Indien de werkelijke kosten van de gespecialiseerde firma lager zijn dan het geconsigneerde bedrag, verminderd met de retributiekost van 125 euro, dan wordt het teveel geconsigneerde terugbetaalt aan de aanvrager.
De betalingstermijn voor openstaande retributie bedraagt 30 kalenderdagen na het verzenden ervan.
Art. 5: Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota..
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976, en latere wijizgingen, dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie
Art. 6: Het besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 tot goedkeuring van retributiereglement op de wegname van asurnen uit een columbarium, urnenveld of graf wordt opgeheven met ingang vanaf 1 januari 2026.
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur en latere wijzigingen, in het bijzonder op het artikel 2, 40, 41 en 286;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen (Vlarema);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2023 tot vaststelling van het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval 2023-2030 (Lokaal Materialenplan);
Gelet op het Ministerieel Besluit tot toekenning van een subsidie aan IVVO voor een project in het kader van het asbestafbouwbeleid dd. 03 december 2020
Gelet op de door de gemeente verleende beheersoverdracht aan het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO wiens raad van bestuur voorstelt om de gemeentelijke reglementen te uniformiseren en vereenvoudigen; dat binnen de kustsector binnen IVVO overleg werd gepleegd om het retributiereglement specifiek voor de kustgemeenten aan te passen en de gemeenten hun autonomie hierin te erkennen;
Gelet op het algemeen politiereglement van de gemeente Koksijde;
Overwegende dat de verwerking van huishoudelijk restafval milieubelastend is;
Overwegende dat de totale hoeveelheid restafval in Koksijde met 40% verminderde sinds 2009,
Overwegende dat de gemeente blijft inzetten op het verminderen van de hoeveelheid afval die verbrand moet worden;
Overwegende dat het verplicht is om de kosten gelinkt aan het huishoudelijk restafval aan te rekenen volgens het principe 'de vervuiler betaalt' zoals voorgeschreven in het Materialendecreet en het uitvoeringsbesluit Vlarema gezien dit aanzet tot het voorkomen van restafval en beter sorteren;
Overwegende dat daartoe in Vlaanderen een tarievenvork werd vastgelegd waarbij anno 2026 een minimum van 0,14 euro/kg en een maximum van 0,41 euro/kg geldt als tarief voor huishoudelijk restafval;
Overwegende dat het gebruik van een container belangrijke voordelen kan bieden t.o.v. het gebruik van zakken, met name: containers lekken of scheuren niet, het afval blijft afgeschermd van katten, meeuwen of ongedierte en het aanbieden en ledigen is ergonomischer; dat de gemeente meer wil inzetten op het gebruik van containers; dat wie inspanningen doet om restafval te voorkomen of beter te sorteren, financieel beloond door een gedifferentieerde tarifering (restafval duurder dan gft) op basis van gewicht (betalend per kg);
Overwegende dat voorzien wordt in een nultarief voor het aanbieden van gft in de periode van week 42 tot en met week 45 (periode bladval bomenareaal op openbaar domein);
Overwegende dat de afvalintercommunale IVVO het operationele beheer van de containers op zich neemt, dat tevens een digitale applicatie werd ontwikkeld waarbij gebruikers online een overzicht kunnen vinden van bv. de aangeboden hoeveelheden, het beschikbare opgeladen krediet, enz...;
overwegende dat de IVVO ervaart dat er al eens zakjes worden gebruikt om gft in te verzamelen vooraleer dit in gft-container wordt gedeponeerd; dat deze zakjes in de praktijk vaak niet of moeilijk te composteren zijn in hun installatie; dat een proefproject met gebruik van papieren zakken positief geëvalueerd werd; dat de IVVO de gemeenten-vennoten daarom voorstelde om dit type te verkopen aan de geïnteresseerden; dat het stockbeheer en de financiële transactie kan gebeuren via de betaalzuil van het Milieupark; dat er ook compostvaten kunnen worden verkocht op het Milieupark voor wie wil thuis composteren (als alternatief en/of aanvulling op het gebruik van een gft-container); dat deze mogelijkheden worden verder gezet en de tarieven in dit reglement worden bevestigd;
Overwegende dat de Vlaamse Regering er naar streeft om onze omgeving uiterlijk tegen 2040 asbestveilig te maken; dat dit versneld asbestafbouwbeleid wordt ondersteund door veel gemeenten, zo ook door Koksijde; dat IVVO daartoe een project voorstelde om asbest ook aan de bron in te zamelen met afzetcontainers en plaat- of kubiekzakken; dat deze mogelijkheid (ontzorging, voordelig tarief) meer mensen over de streep kan trekken om asbest te verwijderen; dat de tarieven in dit reglement worden bevestigd;
Art. 1: Er wordt voor een termijn met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 een retributie geheven op het aanbieden van groente-, fruit- en tuinafval (gft), huishoudelijk restafval via containers voor de inzameling aan huis, het ophalen van asbesthoudend materiaal en groot huisvuil.
Art. 2: Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder
Art. 3: Tarieven
§1. Het bedrag van de retributie wordt als volgt vastgesteld:
§2. Het bedrag per kg voor huishoudelijk restafval, gft en de restfractie en de organisch composteerbare fractie van het vergelijkbaar bedrijfsafval is gekoppeld aan de evolutie van de gezondheidsindex en stemt overeen met de index van 30 september 2025. Deze kost zal jaarlijks op 1 januari aangepast worden op basis van de gezondheidsindex van de maand september die aan de aanpassing vooraf gaat. De berekening gaat als volgt: elk bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 30 september van het jaar dat vooraf gaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 30 september 2025. Het zo verkregen getal wordt afgerond tot twee decimalen na de komma. het derde decimaal uit de voormelde berekening wordt altijd naar boven afgerond. Indien het verkregen getal lager is, dan wordt het bedrag niet aangepast.
§3. De retributie is verschuldigd door de aanvrager van een container. Een container voor gedeeld gebruik (vb. voor gebruik in een meergezinswoning), moet door de Vereniging van Mede-eigenaars worden aangevraagd. Berekeningswijze te betalen retributie: door de tarieven bepaald in art. 3§1.a. en b. te vermenigvuldigen met het gewicht dat wordt geregistreerd bij het aanbieden van de container als het gewichtsverschil van de container vóór en na het ledigen met het weegsysteem aan de ophaalwagen.
§4. Voorschotten en wijze van betaling
§4.1. Voorschotbedrag containers rest- en gft-afval:
De retributie wordt betaald met voorschotten. De voorschotten worden geïnd via een betalingsuitnodiging te betalen via het klantenportaal MIJN IVVO, terug de vinden op de IVVO website: https://www.ivvo.be of via overschrijving. Betaling in cash is enkel mogelijk op de IVVO Klantendienst, Bargiestraat 6 te 8900 Ieper tijdens de kantooruren. Elk betaald voorschot blijft verbonden aan de referentiepersoon voor de duur van de dienstverlening. Telkens een aansluitpunt beroep doet op de huis-aan-huis inzameling van restafval en gft-afval wordt het daarmee samenhangend bedrag van de retributie van het voorschot afgehouden.
De voorschotbedragen zijn de volgende :
|
|
40 l tem 240 l- container
|
770 l tem 1100 l - container |
| Aansluitpunt met 1 tem 2 containers voor restafval en/of gft-afval |
€40,- |
Aantal containers * €250,- |
| Aansluitpunt met 3 tem 5 containers voor restafval en/of gft-afval |
€80,- |
Aantal containers * €250,- |
| Aansluitpunt met >5 containers voor restafval en/of gft-afval |
Aantal containers * €40,- |
Aantal containers * €250,- |
De betalingsuitnodiging vermeldt het voorschotbedrag verhoogd met het eventuele negatieve saldo. Indien de betalingsuitnodiging is vervallen en het saldo onder 0 komt, wordt één herinnering overgemaakt.
§4.2. Drempelbedrag containers rest- en gft-afval
Wanneer het voorschot daalt onder het drempelbedrag ontvangt het aansluitpunt een nieuwe betalingsuitnodiging voor een voorschot. Het drempelbedrag per aansluitpunt is :
|
|
40 l tem 240 l
|
770 l of 1100 l |
| Aansluitpunt |
€15,-/aansluitpunt |
€50,-/aansluitpunt
|
De historiek van de ledigingen wordt enkel bij de digitale betalingsuitnodiging per mail overgemaakt. De historiek is steeds raadpleegbaar op het klantenportaal MIJN IVVO, terug de vinden op de IVVO website: https://www.ivvo.be. Indien de gebruiker niet tijdig zijn saldo aanzuivert waardoor zijn voorschot onder 0 komt, worden zijn containers niet meer geledigd bij de eerstvolgende aanbieding indien zijn betalingsuitnodiging én zijn herinnering zijn vervallen tot zijn saldo is aangezuiverd.
§4.3. Activatie/desactivatie containers rest- en gft-afval
IVVO staat in voor de activatie van de containers bij de (her)opening van een (afgesloten) aansluitpunt.
De containers worden door IVVO gedesactiveerd indien geen actieve aansluiting.
§5. Tarieven omruilen, vervangen, extra container, plaatsen slot, keukenemmer, papieren gft-zakken, compostvat
§5.1. Omruiling
Voor de omruiling van een container wordt een omruilingskost aangerekend van 15 euro per container.
Deze kosten worden verrekend via de retributie huis aan huis ophaling rekening
Een omruiling naar een groter model is gratis, indien de container leeg, proper en in goede staat wordt aangeleverd. Een omruiling naar een kleiner model wordt aangerekend, behalve de omruiling van een 2-wielcontainer (120/140 l of 240 l) naar een draagemmer van 40 liter.
§5.2. Vervanging door oneigenlijk gebruik
De vervanging van defecte containers door oneigenlijk gebruik door de containergebruiker (waaronder meer afval aanbieden dan het maximum toegelaten gewicht waardoor de container scheurt tijdens het ledigen) wordt als volgt aangerekend :
40 liter : 35 euro per container (max. 15 kg),
120-140 liter : 40 euro per container (max. 56 kg),
240 liter : 50 euro per container (max. 96 kg),
770 liter : 240 euro per container (max. 308 kg),
1100 liter : 300 euro per container (max. 440 kg),
Bovenvermelde bedragen zijn inclusief btw. Deze kosten worden aangerekend via een aparte factuur en worden geïnd in naam en voor rekening van IVVO. Deze kosten dienen betaald te worden vooraleer de opdracht wordt uitgevoerd.
§5.3. Aanvraag extra restafvalcontainer
Voor restafval geldt een beperking tot 1 container per aansluitpunt. Voor de aanvraag van een 2de restafvalcontainer worden de tarieven aangerekend zoals vermeld in artikel 3 §5.2.
§5.4. Plaatsing slot
Voor de levering en plaatsing van een kantelslot wordt een kost van 42,35 euro aangerekend per container inclusief btw.
Deze kosten wordt aangerekend via een aparte factuur en worden geïnd in naam en voor rekening van IVVO. Deze kosten dienen betaald te worden vooraleer de opdracht wordt uitgevoerd.
Op een 40 liter container kan geen slot geplaatst worden.
§5.5. Gft-keukenemmer
Bij elke gft-container wordt standaard 1 keukenemmer van ca. 10 liter meegeleverd. Voor de aanvraag van een (extra) gft-keukenemmer op een actief aansluitpunt wordt een kost aangerekend van 5 € per emmer, af te halen op het Milieupark of bij IVVO Klantendienst.
Deze kosten worden verrekend via de retributie huis aan huis ophaling rekening.
De keukenemmer is een handig hulpmiddel om keukenafval te verzamelen vooraleer dit in de gft-container te deponeren maar kan niet aangeboden worden voor ophaling van gft-afval aan huis.
§5.6. Papieren gft-zakken
Er wordt een retributie geheven op de verkoop van papieren zakken om keukenafval in te verzamelen vooraleer dit in de gft-container te deponeren. De zakken kunnen geheel in de container worden gedeponeerd en kunnen op die manier gebruikt worden om de container proper te houden. Ze kunnen niet apart aangeboden worden bij de ophaling. De papieren zakken zijn te koop op het Milieupark. Het bedrag van de retributie wordt als volgt vastgesteld:
voor papieren zakken per bundel van 80 stuks van het klein formaat (8 liter): 6 euro,
voor papieren zakken per bundel van 20 stuks van het groot formaat (45 liter): 8 euro.
§5.7. Compostvat om thuis te composteren
Er wordt een retributie geheven op de verkoop van een compostvat om thuis te composteren (als alternatief en/of aanvulling op het gebruik van een gft-container). De compostvaten zijn te koop op het Milieupark. Het bedrag van de retributie is 17,40 euro per compostvat.
§6. Tarieven stopzetting
De containers met alle toebehoren (keukenemmer, slot, ..) dienen bij verhuis leeg, proper en in goede staat achtergelaten te worden bij de woning.
De niet-gebruikte containers kunnen zelf ingeleverd worden op het Milieupark of bij de IVVO.
Indien de klant de container(s) in goede staat, leeg en proper zelf terugbrengt naar het Milieupark is de stopzetting gratis.
Indien de container(s) niet leeg en proper worden aangeleverd worden de verwerkingskosten van het afval aangerekend, verhoogd met een reinigingskost van 15 € per container.
Indien IVVO de container dient op te halen bij stopzetting van het gebruik van de container(s) wordt een kost aangerekend van 15 € per aansluitpunt. Deze kosten worden verrekend via de retributie huis aan huis ophaling rekening.
Indien bij de stopzetting en na afrekening van alle kosten ingevolge de stopzetting volgens dit reglement nog een saldo openstaat op het voorschot verbonden aan de referentiepersoon, dan wordt het beschikbaar saldo van het voorschot terugbetaald aan de referentiepersoon of zijn erfgenamen, die de nalatenschap hebben aanvaard, door IVVO.
Art. 4: Project bronophaling asbest
§1. Er wordt een retributie gevestigd voor de huis-aan-huisinzameling van asbesthoudende cementgebonden bouwmaterialen. Het eerdere retributiereglement van 22 november 2021 wordt opgeheven. In afwijking van artikel 1 zal de begin- en einddatum van dit project afhangen van de beschikbare middelen van de subsidiërende overheden.
§2. De retributie is hoofdelijk verschuldigd door iedere projectdeelnemer. De aard van de projectdeelnemer is vastgelegd in de algemene voorwaarden van IVVO en raadpleegbaar op haar website. Elke projectdeelnemer kan maximaal 6 asbestzakken of maximaal 2 containers ter beschikking krijgen per uniek adres.
§3. De retributie wordt vastgesteld als volgt:
- voor en plaat- en/of kuubzak (max. ± 30 m² bouwmateriaal): 40 euro/zak.
- voor een afzetcontainer (max. ± 300 m² bouwmateriaal): 170 euro/container.
§4. De retributie wordt geïnd door IVVO en is vooraf betaalbaar bij het indienen van de aanvraag.
§5. De algemene voorwaarden zoals vastgelegd door IVVO dienen door de projectdeelnemer nageleefd te worden.
§6. Eventuele kosten aangerekend door derde partijen wegens het niet naleven van de algemene voorwaarden zullen door IVVO worden doorgerekend aan de projectdeelnemer.
Art. 5: Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota.
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie.
Art. 6: Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan de heer gouverneur, de heer financieel directeur van de gemeente Koksijde, de dienst Milieu & Duurzame Ontwikkeling, de OVAM en het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en latere wijzigingen, meer bepaald de artikelen 2, 40, 41,2e lid, 14°, 252, 286 t.e.m. 287 en 326 t.e.m. 335;
Gelet op de omzendbrief ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen (Vlarema) en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2023 tot vaststelling van het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval 2023-2030 (Lokaal Materialenplan);
Gelet op het algemeen politiereglement van de gemeente Koksijde;
Overwegende dat de verwerking van restafval milieubelastend is en grote kosten met zich mee brengt;
Overwegende dat de totale hoeveelheid restafval in Koksijde met 40% verminderde sinds 2009;
Overwegende dat de gemeente blijft inzetten op het verminderen van de hoeveelheid afval die verbrand moet worden;
Overwegende dat het verplicht is om deze kosten aan te rekenen volgens het principe 'de vervuiler betaalt' zoals voorgeschreven in het Materialendecreet en het uitvoeringsbesluit Vlarema gezien dit aanzet tot het voorkomen van restafval en beter sorteren;
Overwegende dat daartoe in Vlaanderen een tarievenvork werd vastgelegd waarbij anno 2026 een minimum van 0,14 euro/kg en een maximum van 0,41 euro/kg geldt als tarief voor huishoudelijk restafval;
Overwegende dat het volume van een zak voor huishoudelijk restafval beperkt is tot max. 40 liter, dat dit volgens de OVAM overeen komt met een gewicht van 5 kg/zak;
Overwegende dat huishoudelijk restafval kan worden aangeboden in containers (of via Milieupunten), dat het gebruik van een container belangrijke voordelen kan bieden t.o.v. het gebruik van zakken, met name: containers lekken of scheuren niet, het afval blijft afgeschermd van katten, meeuwen of ongedierte, het aanbieden en ledigen is ergonomischer en de betalingswijze zet aan tot het voorkomen van restafval;
Overwegende dat de gemeente daarom het gebruik van zakken verder wil uitfaseren; dat het gebruik van zakken evenwel niet per 1 januari 2026 zal worden stopgezet, dat het huidige belastingreglement eindigt op 31 december 2025, dat daarom voorgesteld wordt om het huidige tarief nog aan te houden;
Overwegende dat de inzameling van pmd intergemeentelijk georganiseerd wordt door de IVVO, dat de IVVO hiervoor een uniforme en vaste prijs voor haar regio voorstelt;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1: Voor een periode beginnend op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt een belasting geheven op het verstrekken van afvalzakken voor huishoudelijk restafval en pmd.
Art. 2: Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Art. 3: §1. Het gemeentelijke team Openbare netheid en/of de inzamelaar die daartoe aangeduid werd door de gemeente of de intercommunale IVVO haalt alleen afval op opgeborgen in officiële recipiënten, overeenkomstig het algemeen politiereglement.
§2. De belasting op het verstrekken van de officiële afvalzakken wordt vastgesteld op:
§3. De belasting moet zonder uitstel betaald worden door de koper en dient betaald op het ogenblik van de afgifte van de zakken.
Bij gebrek aan onmiddellijke betaling of kwijting binnen de acht dagen, wordt de belasting ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 en latere wijzigingen betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 4: Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan de heer gouverneur, de heer financieel directeur van de gemeente Koksijde, de dienst Milieu & Duurzame Ontwikkeling, de OVAM en het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO.
Gelet op het decreet Lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder op het artikel 2, 40, 41 en 286;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 27 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen (Vlarema), in het bijzonder op het artikel 5.1.3. en op bijlage 5.1.4.;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 mei 2023 tot goedkeuring van het Uitvoeringsplan huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval 2023-2030 (Lokaal Materialenplan) en latere wijzigingen;
Gelet op het algemeen politiereglement van de gemeente Koksijde;
Overwegende dat de verwerking van o.a. grofvuil milieubelastend is en grote kosten met zich mee brengt;
Overwegende dat de totale hoeveelheid restafval in Koksijde met 40% verminderde sinds 2009, dat het invoeren van de gedifferentieerde tarifering op het Milieupark in 2016 er toe leidde dat de hoeveelheid grofvuil die werd aangebracht op het Milieupark Koksijde met meer dan 60% verminderde, dat wie goed sorteert op deze manier beloond wordt en minder betaalt dan wie minder nauwgezet omspringt met afval, dat het aangewezen is om dit verder te zetten;
Overwegende dat de gemeente blijft inzetten op het verminderen van de hoeveelheid afval die verbrand moet worden;
Overwegende dat het verplicht is om de kosten gelinkt aan het huishoudelijk restafval aan te rekenen volgens het principe 'de vervuiler betaalt' zoals voorgeschreven in het Materialendecreet en het uitvoeringsbesluit Vlarema gezien dit aanzet tot het voorkomen van restafval en beter sorteren;
Overwegende dat daartoe in Vlaanderen een tarievenvork werd vastgelegd met minima- en maximabedragen voor de variabele invulling van de tarifering voor bepaalde afvalfracties, dat de bedragen van deze tariefvork voor grofvuil elk jaar worden getoetst aan de evolutie van de gezondheidsindex en op basis van de evolutie van de gezondheidsindex van september van het voorgaande jaar jaarlijks op 1 januari worden geïndexeerd; dat lokale besturen verplicht zijn om hun tarieven op deze geïndexeerde tarievenvork af te stemmen, dat het voorgestelde tarief hieraan voldoet;
Overwegende dat het aanbrengen van hechtgebonden asbesthoudend materiaal wordt gefaciliteerd met een nultarief tot en met 200 kg per huishouden per jaar (cfr. doelstellingen asbestveilig Vlaanderen);
Overwegende dat de IVVO haar gemeenten-vennoten adviseert om de afvaltarieven maximaal te uniformiseren en desgevallend te vereenvoudigen, dat de werkwijze met slechts drie verschillende tarieven op het Milieupark Koksijde eenvoudig - en intussen ook goed ingeburgerd - is, dat er over het voorstel werd terug gekoppeld met de buurgemeenten van de cluster kust binnen de IVVO;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1: Er wordt voor een termijn met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 een retributie geheven op het aanbrengen van bepaalde materialen, met name de soorten grofvuil, asbesthoudend materiaal en inert bouwafval, op het gemeentelijk Milieupark te Koksijde, afkomstig van particuliere huishoudens.
Art. 2: Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Grofvuil: alle afvalstoffen ontstaan door de normale werking van een particulier huishouden die door hun omvang, aard en/of gewicht niet in het recipiënt voor de inzameling aan huis kunnen geborgen worden, met uitzondering van de selectief ingezamelde afvalstoffen.
Asbesthoudend materiaal: hechtgebonden asbestcement (vb. eternit),
Inert bouwafval: steenpuin, keramiek en porselein, gipsafval en vlak glas.
Art. 3:
§1. Het bedrag van de retributie wordt als volgt vastgesteld:
a. Voor grofvuil: 0,25 euro/kg,
b. Voor asbesthoudend materiaal:
- 0,00 euro/kg tot en met 200 kg per huishouden per jaar,
- 0,13 euro/kg vanaf 201 kg per huishouden per jaar,
c. Voor inert bouwafval: 0,055 euro/kg,
§2. Het bedrag per kg voor grofvuil is gekoppeld aan de evolutie van de gezondheidsindex en stemt overeen met de index van 30 september 2025. Deze kost zal jaarlijks op 1 januari aangepast worden op basis van de gezondheidsindex van de maand september die aan de aanpassing vooraf gaat. De berekening gaat als volgt: elk bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 30 september van het jaar dat vooraf gaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 30 september 2025. Het zo verkregen getal wordt afgerond tot twee decimalen na de komma. het derde decimaal uit de voormelde berekening wordt altijd naar boven afgerond. Indien het verkregen getal lager is, dan wordt het bedrag niet aangepast.
Art. 4:
§1. De retributie is verschuldigd door elke aanvoerder van de hierboven vermelde huishoudelijke materialen in de betaalzone van het gemeentelijk Milieupark en wordt geïnd door het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO, in opdracht en voor rekening van de gemeente Koksijde. Inwoners en tweede verblijvers met de Belgische nationaliteit hebben toegang met hun eID. Een toegangskaart kan ook bij de klantendienst van IVVO worden aangevraagd mits betaling van de bijhorende factuur van 8 euro incl. btw voor particulieren en 8 euro excl. btw (of 16 euro excl. btw voor een gepersonaliseerde versie) voor bedrijven die vergelijkbaar bedrijfsafval willen aanbrengen op de gratis zone.
§2. De aanvoerder duidt de desbetreffende materiaalsoort aan op de zuil bij de ingaande weegbrug van de betaalzone. Een brutoweging wordt geregistreerd. Na uitladen van het aangeduide materiaal rijdt de bezoeker naar de uitgaande weegbrug voor een tarraweging. Het verschil tussen bruto- en tarragewicht is het aangeleverde gewicht van het desbetreffende materiaal, geregistreerd volgens een veelvoud van 10 kg of een veelvoud van 5 kg voor gewichten lager dan 7 ton, waarop de retributie wordt toegepast. Indien de aanbieder meerdere betalende materiaalsoorten heeft, is hij verplicht om deze handelingen voor elke materiaalsoort te herhalen.
§3. Per betalende materiaalsoort wordt een minimum aangerekend van 5 kg.
§4. Het verschuldigde bedrag dient vereffend aan de betaalzuil via betaalkaart (alleen bancontact, geen kredietkaart) of door het storten van een provisie op een vaste rekening van het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO. Indien de provisierekening ontoereikend is, kan de bezoeker zijn provisierekening aanzuiveren bij voorkeur via betaalkaart (bv. aan de betaalzuil op het park) of via het online klantenportaal van de IVVO ('Mijn IVVO' - terug te vinden via de website van de IVVO). Betaling in cash is enkel mogelijk op de IVVO Klantendienst, Bargiestraat 6 te 8900 Ieper tijdens de kantooruren.
§5. Er wordt enkel krediet toegestaan wanneer betaling op het Milieupark door uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is. Het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO stuurt in opdracht en voor rekening van de gemeente Koksijde een schuldvordering teneinde het krediet aan te zuiveren.
§6. Indien schuldvorderingen onbetaald blijven, zal de toegang tot het Milieupark aan de in gebreke blijvende schuldenaar worden geweigerd.
§7. Indien de schuldvordering verstuurd door het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO onbetaald blijft, wordt de invorderingsprocedure verder gezet door de financiële dienst van de gemeente Koksijde volgens de bepalingen in art. 5 van dit reglement.
Art. 5: Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota.
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie.
Art. 6: Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan de heer gouverneur, de heer financieel directeur van de gemeente Koksijde, de dienst Milieu & Duurzame Ontwikkeling, de OVAM en het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO
Gelet op het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder op het artikel 2, 40, 41 en 286;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet);
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen (Vlarema) en latere wijzigingen;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 mei 2023 tot vaststelling van het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en gelijkaardig bedrijfsafval 2023-2030 (Lokaal Materialenplan);
Overwegende dat de verwerking van huishoudelijk restafval milieubelastend is;
Overwegende dat de totale hoeveelheid restafval in Koksijde met 40% verminderde sinds 2009,
Overwegende dat de gemeente blijft inzetten op het verminderen van de hoeveelheid afval die verbrand moet worden;
Overwegende dat het verplicht is om de kosten gelinkt aan het huishoudelijk restafval aan te rekenen volgens het principe 'de vervuiler betaalt' zoals voorgeschreven in het Materialendecreet en het uitvoeringsbesluit Vlarema gezien dit aanzet tot het voorkomen van restafval en beter sorteren;
Overwegende dat daartoe in Vlaanderen een tarievenvork werd vastgelegd waarbij anno 2026 een minimum van 0,14 euro/kg en een maximum van 0,41 euro/kg geldt als tarief voor huishoudelijk restafval;
Overwegende dat het volume van de inworp in de container voor huishoudelijk restafval van een Milieupunt beperkt is tot max. 30 liter, dat dit in de praktijk op basis van de ingezamelde gewichten en het aantal betaalbeurten op vandaag overeen komt met een gewicht van gemiddeld 3,25 kg/inworp;
Overwegende dat het tarief om huishoudelijk restafval via een Milieupunt aan te bieden, is afgestemd op het voorgestelde tarief voor wie thuis een container gebruikt;
Overwegende dat op basis van hoger vermelde regelgeving en principes een tarief van 0,65 euro/inworp wordt voorgesteld; de betaling gebeurt elektronisch;
Art. 1: Er wordt voor een termijn met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 een retributie geheven op het aanbieden van huishoudelijk restafval via de Milieupunten.
Art. 2: Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
Art. 3: De retributie wordt vastgesteld op 0,65 euro/inworp.
Art. 4: De retributie is verschuldigd door de gebruiker van de container bedoeld voor huishoudelijk restafval die deel uitmaakt van een Milieupunt en wordt contant afgerekend met bankkaart ter plaatse.
Art. 5: Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan de heer gouverneur, de heer financieel directeur van de gemeente Koksijde, de dienst Milieu & Duurzame Ontwikkeling, de OVAM en het intergemeentelijk samenwerkingsverband IVVO.
Gelet op artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 41, 2e lid,14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende de investeringen en kosten voor de aanleg van riolen; dat deze investeringen in eerste en belangrijkste mate ten goede komen aan de aangelande percelen van de straten waar riolen worden aangelegd; dat het bestuur ervoor opteert om de bijdrage van de aangelanden te beperken tot een maximum van 87 euro per strekkende meter perceellengte langsheen de straten waar riolen worden aangelegd, de kosten daarboven ten laste van de gemeenschap leggend; dat hierdoor de meerkost voor riolen met een doorsnede boven het normale op dezelfde basis berekend worden als de riolen met een gewone doorsnede, de meerkost valt ten laste van de gemeenschap.
Art. 1 : belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 door de gemeente een verhaalbelasting gevestigd ten laste van de eigendommen gelegen langs openbare wegen of gedeelten van openbare wegen die nog op geen enkele wijze waren voorzien van enige vorm van riolering en/of kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater, en waarin er openbare riolen en/of kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater gelegd worden, onderworpen aan een jaarlijkse directe belasting waarbij de kostprijs van de rioleringswerken wordt teruggevorderd.
Het totaal bedrag van de verhaalbelasting gaat de som van de verhaalbare uitgaven, plus de financieringsintresten van een twintigjarige lening indien de verhaalbare uitgaven niet in éénmaal betaald worden, niet te boven.
Art. 2 : belastingplichtige
§1. De eerste jaarlijkse belasting is verschuldigd door de eigenaar op het ogenblik van de voltooiing der werken, zoals bepaald in artikel 3 van huidig reglement.
De jaarlijkse belastingen slaande op de volgende aanslagjaren, zijn verschuldigd door de eigenaar op 01 januari van het aanslagjaar.
§2. Ingeval er een recht van opstal, een recht van erfpacht of een recht van vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de opstalhouder, de erfpachter of de vruchtgebruiker, terwijl de eigenaar hoofdelijk mee aansprakelijk is voor de betaling van de belasting.
§3. Indien er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting
§4. Wanneer het eigendom bestaat uit een gebouw met verscheidene afzonderlijk gekadastreerde appartementen, garages, winkels, enz. wordt de belasting die betrekking heeft op het gebouw onder de mede-eigenaars verdeeld in verhouding tot hun aandeel in het eigendomsrecht.
§5. Van zodra een op het grondgebied van de gemeente Koksijde gelegen eigendom verkocht wordt, moet de belastingplichtige binnen de twee maanden na verlijden van de notariële akte, het gemeentebestuur Koksijde – dienst gemeentebelastingen hiervan schriftelijk in kennis stellen en de nodige bewijzen indienen.
Art. 3 : tarief
De verhaalbelasting die betrekking heeft op een eigendom is gelijk aan de eenheidsprijs per strekkende meter, vermenigvuldigd met de lengte van de eigendom (zijde van het perceel van de eigendom) langs de weg of langsheen gedeelten van de openbare wegen waarin de openbare riolering wordt gelegd.
De eenheidsprijs per strekkende meter wordt bekomen door het totaal bedrag van de verhaalbare uitgave te delen door de totale lengte der eigendommen langs weerszijden van de straat waarin de riolering wordt gelegd.
De eenheidsprijs mag maximaal 87 euro per strekkende meter per straatkant bedragen.
Art. 4 : bijzondere bepalingen
§1. Zodra, bij beslissing van het College van burgemeester en schepenen de voltooiing der werken vastgesteld is, worden de verhaalbare uitgaven vastgesteld, ongeacht de toelagen toegekend of die zouden kunnen toegekend zijn.
De verhaalbare uitgaven omvatten:
Worden niet in de verhaalbare uitgaven begrepen:
§2. Deze belasting treft alle eigendommen ongeacht of zij bebouwd of onbebouwd zijn, afgesloten of niet afgesloten, uitgezonderd evenwel de eigendommen bepaald §3 en §4 in dit artikel.
§3. De Staat en de Provincie zijn van de belasting vrijgesteld wat betreft de goederen die tot het openbaar domein behoren.
§4. De belasting treft de onbebouwde en niet afgesloten eigendommen niet in de hierna bepaalde gevallen en voorwaarden:
a. de onbebouwde en niet afgesloten eigendommen waarop niet kan of mag gebouwd worden.
Indien een dergelijke eigendom met een aanpalend perceel verenigd wordt zodat het mogelijk wordt er een gebouw op te richten, dan wordt eerstgenoemde eigendom wel door de verhaalbelasting getroffen. De verhaalbelasting wordt voor dergelijk perceel eveneens toegepast wanneer dit perceel in het kadaster samengevoegd wordt met een bebouwd perceel;
b. de onbebouwde en niet afgesloten eigendommen gelegen in een landelijke zone:
° voor het centrum Koksijde wordt als landelijke zone beschouwd het gedeelte van het grondgebied der gemeente gelegen ten zuiden van de beek van het Langeleed;
° voor het centrum Oostduinkerke wordt als landelijke zone beschouwd, het gedeelte "Agrarisch gebied" van het grondgebied begrensd volgens het bij K.B. van 6.12.1976 vastgestelde Gewestplan VEURNE - Westkust met uitzondering van de eventuele verkavelingen van bouwgronden gelegen in voormelde zone.
§5. In het geval een eigendom (op basis van het kadastraal plan) met meer dan één zijde paalt aan één of meerdere straten waar openbare riolen en/of kunstmatige afvoerwegen voor hemelwater gelijktijdig of op verschillende tijdstippen worden aangelegd, wordt de verhaalbelasting berekend door toepassing van de volgende formule: (som van de strekkende meter van de zijden van de eigendom waar riolen worden aangelegd) gedeeld door (aantal zijden waar riolen worden aangelegd).
Wanneer het gelijktijdig aanleggen van twee leidingen in een openbare weg noodzakelijk is wegens de breedte van die weg of om een andere reden van technische aard, worden de twee leidingen als één uitgave beschouwd om het bedrag van de verhaalbare uitgaven te bepalen.
Deze uitgaven worden verhaald ten laste van de eigenaars langs beide zijden van de weg.
Er wordt op dezelfde wijze gehandeld wanneer de leiding slechts langs één zijde van de weg wordt aangelegd, doch de aansluiting van de eigendommen langs beide zijden mogelijk is.
§6. De belasting is een jaarlijkse belasting verschuldigd gedurende een periode van 20 jaar. Haar jaarlijks bedrag is gelijk aan de last van de intrest en van de afschrijving van een lening terugbetaalbaar op twintig jaar, die zou aangegaan worden bij Belfius Bank NV waarvan het bedrag zou gelijk zijn aan de te verhalen uitgave. De intrestvoet wordt jaarlijks vastgesteld op basis van een twintigjarige intrestvoet die dan van toepassing zou zijn rekening houdend met de bankmarge.
§7. De aan deze jaarlijkse belasting onderworpen eigenaar, vruchtgebruiker, opstalhouder of erfpachter kan zijn eigendom ervan bevrijden, hetzij onmiddellijk door een bedrag te storten gelijk aan het bedrag van de te verhalen uitgave, hetzij na één of meer jaarlijkse belastingen betaald te hebben, door het verschil te storten tussen het bedrag van de te verhalen uitgave en het bedrag van de afschrijving begrepen in de reeds betaalde jaarlijkse belastingen.
§8. Wanneer het huidig belastingreglement opgeheven of niet hernieuwd wordt, dient aan de belastingplichtigen, die de belasting in kapitaal hebben gekweten, een som terugbetaald te worden, die als ten onrechte betaald moet aanzien worden. Deze terug te betalen som wordt bepaald als het verschil tussen de totaal betaalde som en de reeds verlopen kapitaalsannuïteiten. Op de terugbetaalde sommen is geen intrest verschuldigd.
Zo de belastingvoet verlaagd wordt, dient aan voormelde belastingplichtige, bedoeld in dit artikel een som terugbetaald te worden, in verhouding tot de vermindering van de belastingvoeten waarvan de belastingplichtigen, die jaarlijks ingekohierd worden, zullen genieten. Op de terugbetaalde sommen is geen intrest verschuldigd.
§9. De bepalingen van de vroeger ingevoerde reglementering op de verhaalbelasting op de aanleg van riolen blijven van kracht op de toestanden die tijdens hun heffingsduur en toepassingsperiode ontstonden.
Art. 5. : invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 6. : bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Gelet op artikel 41, 162, 170 §4 en 173 van de Grondwet;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 41, 2e lid,14°;
Gelet op Titel V Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en latere wijzigingen;
Gelet op Titel IV, Hoofdstuk II Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009;
Gelet op het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het BVR van 16 juli 2010 betreffende de meldingsplichtige handelingen ter uitvoering van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
Gelet op het BVR van 16 juli 2010 tot bepaling van de handelingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is;
Gelet op het BVR van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het BVR van 10 februari 2017 tot wijziging van diverse besluiten naar aanleiding van de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. KB/ABB 2019/2 betreffende de gemeentefiscaliteit van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijdin;
Overwegende de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning op 23/02/2017, dat deze de stedenbouwkundige, vergunning, verkavelingsvergunning en milieuvergunning vervangt;
Overwegende dat de werklast voor de aanvragen voor vastgoedinformatie en dat de vergoeding in verhouding moet zijn met de kosten van verwerking; dat het onderzoek en in behandeling name van omgevingsdossiers tijdrovender is geworden voor het personeel; dat de bijkomende taken en complexiteit die dergelijke dossiers teweegbrengen meer gespecialiseerd personeel vereisen (met continue bijscholing en ondersteuning door gespecialiseerde doch kostenverhogende databanken); dat de digitalisering van de dossiers extra kosten voor soft- en hardware vereist;
Overwegende dat de milieuvergunningen samen met de bouwvergunningen en de verkavelingsvergunningen samengevoegd zijn in de omgevingsvergunning; dat het daarom aangewezen is de bepalingen van het vroegere belastingreglement op de hinderlijke inrichtingen in te passen in dit besluit;
Overwegende dat OCMW Koksijde dat gefinancierd wordt door de gemeente Koksijde en AGB Koksijde, dat door de gemeente Koksijde is opgericht voor de uitvoering van bepaalde opdrachten volgens de beheersovereenkomst met de gemeente Koksijde, worden vrijgesteld van deze retributie omwille van hun band met de gemeente Koksijde zoals hier uiteengezet;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art.1: Voor een termijn aanvang nemend op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt onder de volgende voorwaarden, een retributie geheven op de afgifte van documenten door de diensten stedenbouw en milieu en op de in behandeling neming en onderzoek van (digitale) omgevingsvergunningsaanvragen.
Art.2: De retributie is verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersonen of instellingen aan wie de gevraagde documenten (in vaste vorm of in elektronische vorm) door de gemeente, op schriftelijk of elektronisch verzoek of ambtshalve worden uitgereikt. De aanvrager is solidair gehouden tot het betalen van de retributie.
De (aangetekende) verzendingskosten per post worden aangerekend aan de ontvanger van de documenten tegen kostprijs. De aanvrager is solidair gehouden tot betalen van deze kosten en vergoedingen.
De retributie is verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersonen die een omgevingsvergunningsaanvraag indient.
Art.3: De retributie wordt als volgt vastgesteld:
3.1. Voor de opzoeking en ter beschikking stelling van vastgoedinformatie: 100 euro voor een groep van maximaal 5 kadastrale percelen die voldoen aan volgende cumulatief toepasselijke voorwaarden: dat de percelen aangrenzend zijn en dat de percelen binnen éénzelfde gemeentelijke grens liggen en dat er maximaal op één perceel (een) gebouweenhe(i)d(en) geregistreerd is (zijn)
Deze retributie is niet van toepassing wanneer de aanvraag valt onder de toepassing van het retributiereglement van 27 maart 2023 houdende Goedkeuren aansluiting Vastgoedinformatieplatform en vernieuwing retributiereglement vastgoedinformatie.
3.2. Op de afgifte van een analoge of digitale kopie van stedenbouwkundige of urbanistische plannen
3.3. op het onderzoek en het in behandeling nemen van aanvragen voor omgevingsdossiers met betrekking tot:
| een verkaveling voor 2 kavels |
55,00 euro |
| een verkaveling voor 3 kavels |
70,00 euro |
| een verkaveling voor 4 kavels |
90,00 euro |
| een verkaveling voor 4 tot en met 10 kavels |
90,00 euro + 15,00 euro per kavel boven 4 kavels |
| een verkaveling met meer dan 10 kavels |
175,00 euro + 15,00 euro per kavel boven 10 kavels |
| kleine bouw - of verbouwingswerken waarbij de medewerking van een architect niet noodzakelijk is |
30,00 euro |
| bouw - of verbouwingswerken waarbij de medewerking van een architect wel noodzakelijk is (met uitsluiting van een appartementsgebouwen en verkavelingen) |
60,00 euro |
| handelsgebouwen |
60,00 euro per handelsruimte of kantoorruimte |
| flatgebouw met 2 appartementen |
100,00 euro (te verhogen met 60 euro per handels-/kantoorruimte) |
| flatgebouw met 3 appartementen |
125,00 euro (te verhogen met 60 euro per handels-/kantoorruimte) |
| flatgebouw met 4 appartementen |
150,00 euro (te verhogen met 60 euro per handels-/kantoorruimte) |
| flatgebouw met 5 tot 10 appartementen |
150,00 euro (te verhogen met 60 euro per handels-/kantoorruimte) + 30,00 euro per appartement boven de vier |
| flatgebouw met meer dan 10 appartementen |
225,00 euro(te verhogen met 60 euro per handels-/kantoorruimte) + 30 euro per appartement boven de tien |
| ingedeelde inrichtingen of activiteiten (iioa) ingedeeld als klasse 3 |
70,00 euro |
| ingedeelde inrichtingen of activiteiten (iioa) ingedeeld als klasse 2 |
125,00 euro |
| ingedeelde inrichtingen of activiteiten (iioa) ingedeeld als klasse 1 |
250,00 euro |
Voor aanvragen om omgevingsvergunning met een uitgebreide dossiersamenstelling voor het bouwen van een reeks identieke eengezinswoningen worden dezelfde tarieven als voor flatgebouwen gehanteerd (lees: “ééngezinswoning(en)” waar “appartement(en)” in het tarief is vermeld).
Voor de omgevingsdossiers die onderworpen zijn aan de formaliteiten van een openbaar onderzoek en/of bekendmaking zijn de effectieve kosten ten laste van de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de omgevingsvergunning aanvraagt.
Art. 4 : Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota.
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie.
Art. 5 : OCMW Koksijde en AGB Koksijde worden vrijgesteld van deze retributie.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170, §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021, waaronder in het bijzonder de artikelen 2.15 t.e.m. 2.20;
Overwegende dat de verwaarlozing van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen worden; dat de verwaarlozing van woningen en gebouwen verloedering teweeg brengt en een negatieve impact heeft op de leef- en woonomgeving;
Overwegende dat een gemeentelijk reglement dient aangenomen te worden waarin de indicaties van verwaarlozing en de procedure tot vaststelling van de verwaarlozing worden vastgesteld; dat dit reglement de regels bepaalt tot opname in en schrapping uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare woningen- en gebouwenbestand ook optimaal benut wordt;
Overwegende dat het handhaven van een instrument tegen de verwaarlozing van woningen en gebouwen complementair is aan de fiscale heffingen inzake leegstand van woningen en gebouwen en van primordiaal belang is in de strijd tegen verloedering van het straatbeeld en de daarmee gepaard gaande sociale achteruitstelling van de bewoners;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Hoofdstuk 1: DEFINITIES EN BELASTBARE GRONDSLAG
Artikel 1 Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
1° woning:
a. elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande;
b. elk onroerend goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is als toeristische verblijfplaats in de vorm van een chalet, een bungalow, een vakantiewoning, een vakantiehuis(je), een trekkershut, een paviljoen, een appartement of elk ander vergelijkbaar verblijf, bestemd voor toeristen en die dient te beschikken over een stedenbouwkundige vergunning/omgevingsvergunning of waarvan aan de hand van een stedenbouwkundig uittreksel kan blijken dat het verblijf vergund is of wordt geacht vergund te zijn
2° gebouw:
a) elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de eventuele bijgebouwen omvat en die niet beantwoordt aan de omschrijving van woning als bedoeld onder punt 1° en met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten.
b) Worden met gebouwen gelijkgesteld de handelsruimten, praktijkruimten of ruimten geschikt voor vrije beroepen, bergingen, opslagruimtes, industriële of ambachtsruimten, loodsen;
c) De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of melding als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning of afgeleverde stedenbouwkundige vergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van verwaarlozing, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
d) Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als verwaarloosd zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
3° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
4° entiteit: gebouw, zoals bedoeld in 2° b, of woning die deel uit maakt van een gebouw
5° zakelijk gerechtigde: houder van één van volgende zakelijke rechten:
a) volle eigendom;
b) recht van opstal of van erfpacht;
c) vruchtgebruik.
6° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
a) een aangetekend schrijven;
b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
7° inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen: het gemeentelijk register van verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde woningen zoals bepaald en opgemaakt volgens de bepalingen van dit besluit;
8° verwaarloosd gebouw of verwaarloosde woning: gebouw of woning die meer dan of gelijk aan 50 strafpunten scoort op het technisch verslag zoals voorzien in bijlage bij dit besluit;
9° administratie: ambtenaar, belast door het schepencollege met de opmaak, het beheer en de actualisering van het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
10° beroepsinstantie: administratieve beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
11° Opnamedatum: de datum waarop het gebouw en/of de woning in het register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen opgemaakt volgens de bepalingen van dit besluit wordt opgenomen;
12° Dag : kalenderdag
13° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit de inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen is geschrapt;
Artikel 2: het gemeentelijk register
§1 De administratie is belast met de opmaak van de inventaris van verwaarloosde woningen en gebouwen.
In deze inventaris wordt minimaal volgende gegevens opgenomen:
1° adres van het verwaarloosde gebouw of de verwaarloosde woning
2° kadastrale gegevens van het verwaarloosde gebouw of de verwaarloosde woning
3° identiteit en adres van de zakelijk gerechtigde(n)
4° nummer en datum van de administratieve akte, zoals vermeld in §3 van dit artikel;
5° de score op het technisch verslag zoals voorzien als bijlage bij dit besluit;
6° datum van indiening van een beroep tegen de opname in het gemeentelijk register, en de datum en aard van de beslissing in beroep
§2 De door het college van burgemeester en schepenen met de opsporing van verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde woningen belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, de controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§3 De opname in het gemeentelijk register gebeurt door de aangestelde ambtenaren van de administratie aan de hand van een genummerde en gedateerde administratieve akte, waarbij een fotodossier en het technisch verslag zoals voorzien als bijlage bij dit besluit gevoegd worden. De datum van de administratieve akte is gelijk aan de opnamedatum en geldt als datum van vaststelling van de verwaarlozing.
§4 In geval van overdracht van het zakelijk recht stelt de instrumenterende ambtenaar de verkrijger van het nieuwe zakelijk recht er voorafgaandelijk van in kennis dat het goed is opgenomen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen.
De instrumenterende ambtenaar stelt per beveiligde zending de administratie binnen de twee maanden na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte in kennis van de overdracht, de datum ervan, en de identiteitsgegevens van de nieuwe eigenaar(s) of zakelijk gerechtigde(n) en zijn/hun eigendomsaandeel/aandeel zakelijk recht.
Artikel 3: Beoordeling en vaststelling van de verwaarlozing
§ 1 De vaststelling van de verwaarlozing gebeurt op basis van het technisch verslag, zoals voorzien als bijlage bij dit besluit;
Artikel 4: Kennisgeving
De zakelijk gerechtigde(n) wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen. De kennisgeving bevat:
-De administratieve akte met inbegrip van het beschrijvend verslag.
-Informatie over de gevolgen van de opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen
-Informatie met betrekking tot de beroepsprocedure tegen de opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen
-Informatie over de mogelijkheid tot schrapping uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen
Artikel 5: Beroepsprocedure
§ 1 Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na de verzendingsdatum van de kennisgeving vermeld in artikel 4, kan de zakelijk gerechtigde beroep aantekenen bij de beroepsinstantie tegen de beslissing tot opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen. Het beroep moet per beveiligde zending ingediend worden. Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd. Het beroepschrift moet gedagtekend en ondertekend zijn en moet minstens volgende gegevens bevatten:
1° de identiteit en het adres van de indiener
2° de vermelding van het nummer van de administratieve akte en van het adres van het gebouw of de woning waarop het beroepschrift betrekking heeft;
3° de bewijsstukken die aantonen dat de opname van het gebouw of de woning in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen ten onrechte gebeurd is. De vaststelling van de verwaarlozing kan betwist worden met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met uitzondering van de eed;
4° indien het beroepschrift wordt ingediend door een persoon die optreedt namens de zakelijk gerechtigde, voegt hij bij het dossier een schriftelijke en ondertekende machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair;
§ 2 Zolang de termijn van dertig dagen zoals bepaald in §1 van dit artikel niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift worden ingediend, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§ 3 De beroepsinstantie registreert elk inkomend beroepschrift in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen en meldt de ontvangst ervan aan de indiener van het beroepschrift.
§ 4 De beroepsinstantie toetst de ontvankelijkheid van het beroepschrift. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk in één van de volgende gevallen:
- het beroepschrift is te laat ingediend of niet ingediend overeenkomstig de bepalingen van §1 van dit artikel
- het beroepschrift gaat niet uit van de zakelijk gerechtigde
- het beroepschrift is niet ondertekend
- het beroepschrift is niet gemotiveerd
Indien de beroepsinstantie vaststelt dat het beroepschrift onontvankelijk is, deelt ze dat aan de indiener mee met de vermelding dat de procedure als afgehandeld wordt beschouwd.
§ 5 De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling, of met een feitenonderzoek dat uitgevoerd wordt door een met de opsporing van verwaarloosde gebouwen en woningen belaste ambtenaar. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een pand geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§ 6 De beroepsinstantie doet een uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend aan de indiener.
§ 7 Als de beroepsinstantie het beroep gegrond acht, of nalaat om binnen de negentig dagen zoals bepaald in § 6 van dit artikel kennis te geven van zijn beslissing, kunnen de eerder gedane vaststellingen geen aanleiding geven tot een nieuwe beslissing tot opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen.
§ 8 Indien de beslissing tot opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen niet tijdig wordt betwist, of het beroep van de zakelijk gerechtigde onontvankelijk of ongegrond is, neemt de administratie het gebouw of de woning in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen op vanaf de opnamedatum.
§ 9 Hoger beroep tegen de beslissing van de administratieve beroepsinstantie met betrekking tot de opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen kan ingesteld worden bij de rechtbank van eerste aanleg, op voorwaarde dat het administratief beroep werd uitgeput.
Artikel 6: Schrapping uit het gemeentelijk register
§1.Een woning (of kamer) of gebouw wordt uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en verwaarloosde gebouwen geschrapt als:
1° een nieuw onderzoek aantoont dat de helft van de oorspronkelijke quotering op het technisch verslag, met een maximum van 49 strafpunten, wordt behaald. De datum van schrapping is de datum waarop het onderzoek wordt aangevraagd en waarbij het onderzoek binnen 30 kalenderdagen kan plaatsvinden.
2° de woning of het gebouw gesloopt is en alle puin opgeruimd werd;
§2. Voor de schrapping uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen richt een zakelijk gerechtigde een gemotiveerd en ondertekend verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
-de identiteit en het adres van de indiener;
-de vermelding van het nummer van de administratieve akte en het adres van het gebouw of de woning waarop de vraag tot schrapping betrekking heeft;
Als datum van het verzoek wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen en neemt een beslissing binnen een termijn 90 dagen ingaand de dag na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de zakelijk gerechtigde beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.
HOOFDSTUK 2: OVERGANGSBEPALINGEN EN TOEZICHT
Artikel 7
De woningen en gebouwen opgenomen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen, opgemaakt op basis van het raadsbesluiten van 18 december 2017 en van 16 december 2019 betreffende de opname van verwaarloosde woningen en gebouwen in het gemeentelijk register, worden opgenomen in het gemeentelijk register volgens dit besluit en behouden hun oorspronkelijke opnamedatum.
Artikel 8
Het reglement betreffende de opname van verwaarloosde woningen en gebouwen in het gemeentelijk register goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 december 2019 wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2026 en wordt vervangen door dit reglement.
Artikel 9
Deze verordening wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden in het kader van het algemeen toezicht.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en later wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41 41, 2e lid,14°;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, betreffende de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het reglement van de gemeenteraad van 18 december 2017, van 16 december 2019, 15 december 2025 en latere wijzigingen betreffende de opname van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen in de inventaris van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Overwegende dat de langdurige verwaarlozing van woningen en/of verwaarlozing van gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden; dat de verwaarlozing van woningen en gebouwen verloedering teweeg brengt en een negatieve impact heeft op de leef- en woonomgeving;
Overwegende dat de strijd tegen de verwaarlozing van woningen en/of verwaarlozing van gebouwen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke woningen en gebouwen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen ook daadwerkelijk leidt tot een belasting, als de zakelijk gerechtigde geen actie onderneemt tegen de verwaarlozing voor de eerste verjaardag van de opname in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen;
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbaar patrimonium voor wonen ook optimaal benut wordt en rekening houdend met de vraag naar betaalbaar wonen in de gemeente; Dat er zoveel mogelijk woongelegenheid van goede kwaliteit effectief voor huisvesting moet gebruikt worden;
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare gebouwenbestand ook optimaal benut wordt;
Overwegende de vrijstellingen van belasting die in dit reglement zijn opgenomen, best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente; dat de vrijstellingen beperkt worden in de tijd, waarbij de tijdsduur van de vrijstelling afhankelijk is van de proceduretermijnen, die toelaten aan de zakelijke gerechtigde of zijn vertegenwoordiger de nodige maatregelen te nemen om de verwaarlozing te remediëren, of de tussenkomst vereisen van (andere) overheidsdiensten alvorens werken kunnen gestart worden of beëindigd worden;
Art. 1 : definitie
1° woning:
2° gebouw:
3° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
4° entiteit: gebouw, zoals bedoeld in 2° b, die deel uit maakt van een gebouw of woning die deel uit maakt van een gebouw;
5° zakelijk gerechtigde: houder van één van volgende zakelijke rechten:
6° renovatie: werken waarbij een aanvraag omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of melding als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vereist is en meer dan 60% van de gevelvlakken behouden blijven;
7° nieuwbouw: werken waarvoor een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of melding als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vereist is en waarbij minder dan 40% van de gevelvlakken behouden blijven;
8° renovatienota: een gedateerde en ondertekende nota in geval van niet-vergunningsplichtige werken,, gericht aan de administratie, en waarin minstens de volgende informatie wordt vermeld:
9° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
10° het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen: het register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen zoals bepaald en opgemaakt volgens de bepalingen van het registratiebesluit;
11° verwaarloosd gebouw of verwaarloosde woning: gebouw of woning die meer dan of gelijk aan 50 strafpunten scoort op het technisch verslag zoals voorzien in artikel 3 van het reglement betreffende de opname of schrapping van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen, goedgekeurd door de gemeenteraad van 18 december 2017;
12° administratie: de ambtenaar belast door het college van burgemeester en schepenen met de opmaak, het beheer en de actualisering van het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen;
13° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
14° opnamedatum: de datum waarop het gebouw en/of de woning in het register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen opgemaakt volgens de bepalingen van het registratiebesluit wordt opgenomen;
15° dag : kalenderdag;
16° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen is geschrapt;
17° registratiebesluit: het reglement betreffende de opname of schrapping van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen in het register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen, goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2020 (en latere wijzigingen).
Art. 2 : belastbaar feit
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen en/of gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen overeenkomstig het reglement betreffende de opname of schrapping van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen in het register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen, goedgekeurd door de gemeenteraad van 16 december 2020 (en latere wijzingen).
§2. De belasting voor een verwaarloosde woning en/of verwaarloosd gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en gebouwen overeenkomstig het registratiebesluit.
Zolang de woning of het gebouw niet uit het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
Art. 3 : belastingplichtige
§1. De belasting is verschuldigd door de zakelijk gerechtigde betreffende de verwaarloosde woning en/of verwaarloosd gebouw op iedere aanslagdatum. Ingeval er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
§2. In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§3. In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
§4. Van zodra een op het grondgebied van de gemeente Koksijde gelegen verwaarloosde woning of verwaarloosd gebouw verkocht wordt, moet de belastingplichtige binnen de twee maanden na verlijden van de akte het gemeentebestuur Koksijde – dienst gemeentebelastingen en de administratie hiervan schriftelijk in kennis stellen en de nodige bewijzen indienen.
Art. 4 : tarief
De basisbelasting bedraagt:
De basisbelasting wordt vermeerderd met 2.500 euro per bijkomende termijn van twaalf maanden dat de woning in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen staat.
De basisbelasting wordt vermeerderd met 3.500 euro per bijkomende termijn van twaalf maanden dat het gebouw in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen staat.
De basisbelasting wordt vermeerderd met 500 euro per bijkomende termijn van twaalf maanden dat de kamer in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen staat.
De aldus bekomen maximum belasting bedraagt maximaal 5 keer de basisbelasting.
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een woning, kamer of gebouw in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen staat, wordt opnieuw vanaf nul berekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende de woning of het gebouw.
Art. 5 : vrijstellingen
Van de heffing op verwaarlozing van woningen en gebouwen zijn uitsluitend vrijgesteld de in dit artikel opgenomen vrijstellingen.
§1. Persoonsgebonden vrijstellingen (enkel voor personen aan wie de vrijstelling is toegekend):
1° de eigenaar of zakelijk gerechtigde waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing, voor zover de eigenaar of zakelijk gerechtigde niet zelf de oorzaak is van de gerechtelijke beslissing; deze vrijstelling is beperkt tot drie jaar volgend op de datum waarop de gerechtelijke beslissing de handelingsbekwaamheid heeft beperkt;
2° de eigenaar of zakelijk gerechtigde die een in het gemeentelijk register van verwaarloosde woningen en/of verwaarloosde gebouwen opgenomen woning of gebouw verwerft, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor 24 maanden volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht. Deze vrijstelling geldt niet voor de verwerving van het zakelijk recht ingevolge overdracht aan:
§2. In geval van mede-eigendom kunnen de vrijstellingen van §1 van dit artikel enkel betrekking hebben op het aandeel van de mede-eigenaar die zich op deze vrijstelling beroept.
Deze vrijstellingen gelden niet voor de andere mede-eigenaars die er zich niet op (kunnen) beroepen.
§3. Een vrijstelling wordt verleend indien de woning of gebouw :
1° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan;
2° geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of melding als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld;
3° krachtens decreet beschermd of bij gemeentelijk besluit vastgesteld is als monument, of opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als monument, voor zover een aanvraag tot subsidiëring van renovatiewerken werd aangevraagd, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van vijf jaar, bij decretale bescherming, of drie jaar bij gemeentelijk besluit volgend op de datum van de verwerving van het goed of volgend op de bescherming of vaststelling of opname in een ontwerp van beschermingslijst of volgend op de aanvraag tot subsidiëring van een beschermd monument; deze laatste vrijstelling kan maar éénmaal door eenzelfde eigenaar of zakelijk gerechtigde voor eenzelfde onroerend goed worden opgeworpen;
4° deel uitmaakt van een krachtens decreet beschermd stads- of dorpsgezicht of landschap, of van een stads- of dorpsgezicht of landschap dat opgenomen is op een bij besluit vastgesteld ontwerp van lijst tot bescherming als stadsof dorpsgezicht of landschap met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van vijf jaar volgend op de datum van de verwerving van het goed of volgend op de bescherming als stads- of dorpsgezicht of landschap of opname in een ontwerp van beschermingslijst als stads- of dorpsgezicht of landschap of volgend op de aanvraag tot subsidiëring van een beschermd monument; deze laatste vrijstelling kan maar éénmaal door eenzelfde eigenaar of zakelijk gerechtigde voor eenzelfde onroerend goed worden opgeworpen
5° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp. Deze vrijstelling geldt voor een periode van 3 jaar volgend op de ramp;
6° onmogelijk daadwerkelijk gebruikt kan worden omwille van een verzegeling of betredingsverbod in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van één jaar volgend op de aanvang van de onmogelijkheid tot daadwerkelijk gebruik ;
7° gerenoveerd of gesloopt wordt of bij nieuwbouw:
a. bij renovatie of sloop:
Er kunnen twee gevallen van renovatie onderscheiden worden:
De vrijstelling geldt slechts gedurende een termijn van 1 jaar volgend op de datum van indiening van het renovatieplan, deze termijn kan met maximaal 1 jaar worden verlengd als de belastingplichtige hij aantoont dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag vooruitgang in de renovatiewerken is geboekt (aan te tonen door voorlegging van o.m. foto's, facturen, maar niet door verklaring onder eed);
Er kan maar eenmalig beroep gedaan worden op deze vrijstelling door eenzelfde eigenaar voor eenzelfde woning of gebouw;
b. bij nieuwbouw: de vrijstelling geldt gedurende een periode van zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg
§4. Elke belastingplichtige die zich beroept op een vrijstelling zoals voorzien in dit artikel moet er het bewijs van leveren. De belastingplichtige die zich beroept op een vrijstelling moet alle documenten en bewijzen, binnen de maand na de schriftelijke aanvraag, overmaken aan de administratie, teneinde deze in staat te stellen de gegrondheid van de vrijstellingsaanvraag te kunnen beoordelen.
§5. Vrijstelling van belasting kan ambtshalve worden toegepast voor zover de administratie in bezit is van afdoende bewijskrachtige gegevens.
§6. Reeds toegekende vrijstellingen op basis van een vorig belastingreglement worden hiermee verrekend en kunnen op basis van dit reglement niet opnieuw worden aangevraagd of toegekend.
Art. 6. : invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen. De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 7. : bezwaarprocedure
De belastingschuldige kan een bezwaar tegen deze belasting indienen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente. Het bezwaar moet worden gemotiveerd en ondertekend en op straffe van nietigheid schriftelijk worden ingediend. Het moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag. Indien de belastingschuldige gehoord wil worden, dient dit uitdrukkelijk gevraagd te worden in het bezwaarschrift.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170§4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie en gemeentebelastingen
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het bijzonder de artikelen 2.9 t.e.m. 2.14;
Gelet op de reglementen van de gemeenteraad van 19 december 2016, van 20 maart 2017 en van 16 december 2019 betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister;
Overwegende dat gemeenten een register van leegstaande woningen en gebouwen kunnen bijhouden; dat hiervoor een gemeentelijk reglement dient aangenomen te worden waarin de indicaties van leegstand en de procedure tot vaststelling van de leegstand worden vastgesteld; dat dit reglement de regels actualiseert tot opname in en schrapping uit het leegstandsregister van woningen en gebouwen; dat de woningen en gebouwen opgenomen in de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, opgemaakt op basis van de raadsbesluiten van 19 december 2016, van 20 maart 2017 en van 16 december 2019 betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister, worden opgenomen in het leegstandsregister volgens dit besluit en behouden hun oorspronkelijke opnamedatum;
Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen worden; dat de leegstand van woningen en gebouwen verloedering teweeg brengt en een negatieve impact heeft op het straatbeeld en de leefbaarheid in de gemeente;
Overwegende dat leegstand de voorbode is van verkrotting: een toestand waarin woningen en gebouwen minder waard of zelfs gevaarlijk zijn, wat niet enkel voor de eigenaar, maar ook voor de gemeente een verarming betekent; dat leegstaande woningen en gebouwen makkelijker het mikpunt vormen van vandalisme, krakers, vervuiling en soms ook worden gebruikt als schuilplaats voor illegale of criminele activiteiten;
Overwegende dat leegstand een gevoel van onveiligheid creëert, wat een hogere inzet van politie- en veiligheidsdiensten vraagt;
Overwegende dat leegstaande woningen of gebouwen het minder aantrekkelijk maken voor andere eigenaars in de straat of in de buurt om hun woning te renoveren of te verbeteren;
Overwegende dat sommige eigenaars woningen en gebouwen laten leegstaan louter om speculatieve redenen, in de hoop op hogere prijzen in de toekomst; dat zij echter niet bijdragen aan de kosten die leegstand met zich meebrengt;
Overwegende dat leegstaande woningen en gebouwen in de gemeente onnodig het ruimtebeslag verhogen, terwijl de ecologische en maatschappelijke druk steeds groter wordt om hier zuinig mee om te gaan;
Overwegende dat woningen die zonder reden leegstaan, bijdragen aan de schaarste aan betaalbare en kwaliteitsvolle woningen en drijven huur- en verkoopprijzen op. Tegelijk is er een grote groep in de samenleving die moeilijk aan een goede woning raakt die ze kan betalen. De Vlaamse en lokale overheden stoppen jaarlijks veel middelen in het betaalbaar en toegankelijk houden van de woningmarkt. Onder die omstandigheden is het verantwoord om instrumenten als leegstandsbestrijding in te zetten om het aanbod te vergroten en te helpen de prijzen te beheersen; dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbaar patrimonium voor wonen ook optimaal benut wordt en rekening houdend met de vraag naar betaalbaar wonen in de gemeente; Dat er zoveel mogelijk woongelegenheid van goede kwaliteit effectief voor huisvesting moet gebruikt worden;
Overwegende dat het gemeentelijke leegstandsregister de enige mogelijke grondslag van een belasting op leegstaande woningen en gebouwen is;
Hoofdstuk 1: DEFINITIES EN BELASTBARE GRONDSLAG
Art. 1: Definities
Voor de toepassing van dit reglement gelden de begripsomschrijvingen van het artikel 1.3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
In dit reglement wordt verstaan onder:
1° administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid, waartoe de ambtenaar behoort, belast door het schepencollege met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister;
2° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen
3° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
4° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten; Worden met gebouwen gelijkgesteld de handelsruimten, praktijkruimten of ruimten geschikt voor vrije beroepen, bergingen, opslagruimtes, industriële of ambachtsruimten, loodsen;
5° kamer: een woning waarin een toilet, een bad of douche of een kookgelegenheid ontbreken en waarvan de bewoners voor een of meer van die voorzieningen aangewezen zijn op de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
6° Leegstaand gebouw: een gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan uitgereikte omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is, of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten.
6°/1 leegstaand gebouw met economische functie: gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten en waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
7° leegstaande woning:
Een woning die gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie die blijkt uit een omgevingsvergunning of meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning die voor die woning is uitgereikt.
Bij een woning waarvoor er geen vergunning of melding is, of waarvan de functie niet duidelijk blijkt uit een vergunning of melding, wordt de functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van de woning dat voorafging aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een woning die gedurende een termijn van ten minste twaalf opeenvolgende maanden niet effectief en/of niet-occasioneel gebruik aangewend wordt in overeenstemming met een functie als tweede verblijf of als vakantiewoning/toeristische verblijfplaats ongeacht de vorm.
8° leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, zoals vermeld in artikel 2.9 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
9° leegstand bij nieuwbouw: een nieuw gebouw of een nieuwe woning wordt als een leegstaand gebouw of een leegstaande woning beschouwd indien dat gebouw of die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
10° opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning in het leegstandsregister wordt opgenomen
11° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw of de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt;
12° woning: elk onroerend goed of deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of alleenstaande.
13° Houder van het zakelijk recht: de persoon of personen met een recht van volle eigendom, opstal, erfpacht of vruchtgebruik met betrekking tot een gebouw of een woning
14° dag: kalenderdag
HOOFDSTUK 2: LEEGSTANDSREGISTRATIE
Art. 2: Leegstandsregister
§1. De administratie houdt een leegstandsregister bij. Het leegstandsregister bestaat uit twee afzonderlijke lijsten:
1° een lijst “leegstaande gebouwen”;
2° een lijst “leegstaande woningen”.
Een woning die geïnventariseerd is als ongeschikt en/of onbewoonbaar, wordt niet opgenomen in het leegstandsregister.
§2. In het leegstandsregister worden de volgende gegevens opgenomen:
1° het adres van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;
2° de kadastrale gegevens van de leegstaande woning of het leegstaande gebouw;
3° de identiteit en het (de) adres(sen) van de houder(s) van het zakelijk recht;
4° het nummer en de datum van de administratieve akte,
5° de indicatie of indicaties die aanleiding hebben gegeven tot de opname.
6° de feiten die aanleiding geven tot een vrijstelling van de leegstandsheffing met vermelding van de begin- en einddatum van de vrijstelling
7° datum van indiening van een beroep tegen de opname in de inventaris, en de datum en aard van de beslissing in beroep
Art.3: Registratie van leegstand
§1. De door het college van burgemeester en schepenen met de opsporing van leegstand belaste personeelsleden bezitten de onderzoeks-, controle- en vaststellingsbevoegdheden, vermeld in artikel 6 van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§2. Een leegstaand gebouw of een leegstaande woning wordt opgenomen in het leegstandsregister aan de hand van een genummerde administratieve akte, waarbij één of meerdere foto’s en een beschrijvend verslag, met vermelding van de indicaties die de leegstand staven, gevoegd worden. De datum van de administratieve akte geldt als de datum van de vaststelling van de leegstand en geldt als opnamedatum.
§3. De leegstand van woningen wordt beoordeeld op basis van meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende lijst:
§4. De leegstand van gebouwen wordt beoordeeld op basis van meerdere objectieve indicaties zoals vermeld in de volgende lijst:
§5. Een woning gebruiken als opslagruimte wordt niet beschouwd als bewoning. Wanneer bijvoorbeeld een ruimte boven een winkel op grond van objectieve gegevens als woning kan worden beschouwd, moet worden nagegaan of die ruimte een woonfunctie heeft. Kan ze niet als woning worden beschouwd, dan moet de regeling voor gebouwen toegepast worden.
§6. In geval van overdracht van het zakelijk recht stelt de instrumenterende ambtenaar de verkrijger van het nieuwe zakelijk recht er voorafgaandelijk van in kennis dat het goed is opgenomen in het leegstandsregister.
De instrumenterende ambtenaar stelt per beveiligde zending de administratie binnen de twee maanden na het verlijden van de authentieke overdrachtsakte in kennis van de overdracht, de datum ervan, en de identiteitsgegevens van de nieuwe eigenaar(s) of zakelijk gerechtigde(n) en zijn/hun eigendomsaandeel/aandeel zakelijk recht.
Art. 4: Kennisgeving
De zakelijk gerechtigde(n) wordt per beveiligde zending in kennis gesteld van de beslissing tot opname in het leegstandsregister. De kennisgeving bevat:
Art.5: Beroep tegen registratie
§1. Binnen een termijn van dertig dagen, ingaand de dag na deze van de betekening van het schrijven, vermeld in artikel 4, kan een houder van het zakelijk recht bij de beroepsinstantie beroep aantekenen tegen de beslissing tot opname in het leegstandsregister. Het beroep wordt per beveiligde zending betekend. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en moet minimaal volgende gegevens bevatten:
Als datum van het beroepschrift wordt de datum van de beveiligde zending gehanteerd .
Als het beroepschrift ingediend wordt door een persoon die optreedt namens de houder van het zakelijk recht, voegt hij bij het dossier een schriftelijke machtiging tot vertegenwoordiging, tenzij hij optreedt als raadsman die ingeschreven is aan de balie als advocaat of als advocaat-stagiair.
§2. Zolang de indieningstermijn van dertig dagen niet verstreken is, kan een vervangend beroepschrift ingediend worden, waarbij het eerdere beroepschrift als ingetrokken wordt beschouwd.
§3. Aan de indiener van een beroepschrift wordt een ontvangstbevestiging verstuurd.
§4. Het beroepschrift is alleen onontvankelijk:
§5. Als het beroepschrift onontvankelijk is, deelt de beroepsinstantie dit onverwijld mee aan de indiener.
Het indienen van een aangepast of nieuw beroep is mogelijk zolang de beroepstermijn van §1 niet verstreken is.
§6. De beroepsinstantie onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke beroepschriften op stukken als de feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling of met een feitenonderzoek, dat uitgevoerd wordt door het met de opsporing van leegstaande gebouwen en woningen belaste personeelslid. Het beroep wordt geacht ongegrond te zijn als de toegang tot een gebouw of een woning geweigerd of verhinderd wordt voor het feitenonderzoek.
§7. De beroepsinstantie doet uitspraak over het beroep en betekent zijn beslissing aan de indiener ervan binnen een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na deze van de betekening van het beroepschrift. De uitspraak wordt per beveiligde zending betekend aan de indiener van het beroep.
§8. Als de beslissing tot opname in het leegstandsregister niet tijdig betwist wordt, of het beroep van de houder van het zakelijk recht onontvankelijk of ongegrond verklaard wordt, neemt de administratie het gebouw of de woning in het leegstandsregister op vanaf de datum van de vaststelling van de leegstand.
§ 9 Hoger beroep tegen de beslissing van de administratieve beroepsinstantie met betrekking tot de opname in het leegstandsregister kan ingesteld worden bij de rechtbank van eerste aanleg, op voorwaarde dat het administratief beroep werd uitgeput.
Art. 6. Schrapping uit het leegstandsregister
§1. Een woning wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat de woning gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden aangewend wordt overeenkomstig de woonfunctie of de functie zoals omschreven in art 1, 7°.
De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. Het effectief gebruik zal blijken uit de inschrijvingen in de bevolkingsregisters of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
Een gebouw wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeld in artikel 1, 6°, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden.De datum van schrapping is de eerste dag van de aanwending overeenkomstig de functie. De administratie stelt deze aanwending vast via administratieve data of desgevallend na een onderzoek ter plaatse.
Een gebouw met een economische functie wordt uit het leegstandsregister geschrapt als een houder van het zakelijk recht bewijst dat meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte overeenkomstig de functie, vermeldt in artikel 1, 6°/1, aangewend wordt gedurende een termijn van ten minste zes opeenvolgende maanden.
§2. Voor de schrapping uit het leegstandsregister richt de houder van het zakelijk recht een gemotiveerd verzoek aan de administratie via beveiligde zending. Dit verzoek bevat:
Als datum van het verzoek wordt de datum van de aangetekende verzending gehanteerd.
De administratie onderzoekt of er redenen zijn tot schrapping uit het leegstandsregister en neemt een beslissing binnen een termijn 90 dagen na de ontvangst van het verzoek. De administratie brengt de verzoeker op de hoogte van haar beslissing met een beveiligde zending.
Tegen de beslissing over het verzoek tot schrapping kan de houder van het zakelijk recht beroep aantekenen volgens de procedure, vermeld in artikel 5.
HOOFDSTUK 3: OVERGANGSMAATREGELEN EN TOEZICHT
Artikel 7
De woningen en gebouwen opgenomen in de lijst van leegstaande gebouwen en/of woningen, opgemaakt op basis van de raadsbesluiten van 19 december 2016, van 20 maart 2017 en van 16 december 2019 betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister, worden opgenomen in het leegstandsregister volgens dit besluit en behouden hun oorspronkelijke opnamedatum.
Artikel 8
Het reglement betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 december 2019 wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2026 en wordt vervangen door dit reglement.
Artikel 9
Dit reglement wordt aan de toezichthoudende overheid toegezonden in het kader van het algemeen toezicht.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170§4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie en gemeentebelastingen
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021, in het bijzonder de artikelen 2.9 t.e.m. 2.14;
Gelet op de reglementen van de gemeenteraad van 19 december 2016, van 20 maart 2017, van 16 december 2019 en van 15 december 2025 betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister;
Overwegende dat het gemeentelijke leegstandsregister de enige mogelijke grondslag van een belasting op leegstaande woningen en gebouwen is;
Overwegende dat de langdurige leegstand van woningen in de gemeente moet voorkomen worden; dat de leegstand van woningen verloedering teweeg brengt en een negatieve impact heeft op het straatbeeld en de leefbaarheid in de gemeente;
Overwegende dat leegstand de voorbode is van verkrotting: een toestand waarin woningen minder waard of zelfs gevaarlijk zijn, wat niet enkel voor de eigenaar, maar ook voor de gemeente een verarming betekent; dat leegstaande woningen makkelijker het mikpunt vormen van vandalisme, krakers, vervuiling en worden soms ook gebruikt als schuilplaats voor illegale of criminele activiteiten;
Overwegende dat leegstand een gevoel van onveiligheid creëert, wat een hogere inzet van politie- en veiligheidsdiensten vraagt;
Overwegende dat leegstaande woningen het minder aantrekkelijk maken voor andere eigenaars in de straat of in de buurt om hun woning te renoveren of te verbeteren;
Overwegende dat sommige eigenaars woningen laten leegstaan louter om speculatieve redenen, in de hoop op hogere prijzen in de toekomst; dat zij echter niet bijdragen aan de kosten die leegstand met zich mee brengt;
Overwegende dat leegstaande woningen in de gemeente onnodig het ruimtebeslag verhogen, terwijl de ecologische en maatschappelijke druk steeds groter wordt om hier zuinig mee om te gaan;
Overwegende dat woningen die zonder reden leegstaan, bijdragen aan de schaarste aan betaalbare en kwaliteitsvolle woningen en drijven huur- en verkoopprijzen op. Tegelijk is er een grote groep in de samenleving die moeilijk aan een goede woning raakt die ze kan betalen. De Vlaamse en lokale overheden stoppen jaarlijks veel middelen in het betaalbaar en toegankelijk houden van de woningmarkt. Onder die omstandigheden is het verantwoord om instrumenten als leegstandsbestrijding in te zetten om het aanbod te vergroten en te helpen de prijzen te beheersen; dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbaar patrimonium voor wonen ook optimaal benut wordt en rekening houdend met de vraag naar betaalbaar wonen in de gemeente; Dat er zoveel mogelijk woongelegenheid van goede kwaliteit effectief voor huisvesting moet gebruikt worden;
Overwegende dat de strijd tegen de leegstaande woningen onder meer een effect zal hebben als de opname van dergelijke woningen in een leegstandsregister ook daadwerkelijk leidt tot een belasting;
Overwegende de vrijstellingen van belasting die in dit reglement zijn opgenomen, best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente; dat de vrijstellingen gemotiveerd worden door de heirkracht in hoofde van de persoon van de zakelijk gerechtigde of in hoofde van de procedures die moeten nageleefd worden bij de geschiktmaking van leegstaande woning; dat bij dit laatste de vrijstellingen beperkt worden in tijd, waarbij de tijdsduur van de vrijstelling afhankelijk is van de proceduretermijnen en tussenkomst van andere overheidsdiensten alvorens werken kunnen gestart worden of beëindigd worden;
Overwegende dat verwaarlozing en leegstand uiteindelijk kunnen leiden tot de desintegratie van het sociale en maatschappelijke weefsel; dat met deze belasting zakelijk gerechtigden gestimuleerd worden om actie te ondernemen tegen leegstand van hun woning;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1. : definitie
1° woning:
2° leegstaande woning: woning die beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10., §2 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk woning die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt in overeenstemming met de woonfunctie;
3° leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen en woningen, vermeld in art 2.9. van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
4° leegstand bij nieuwbouw: woning die beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10., §3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk een nieuwe woning wordt als een leegstaande woning beschouwd indien die woning binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
5° opnamedatum: de datum waarop het gebouw of de woning voor de eerste maal in het leegstandsregister wordt opgenomen;
6° zakelijk gerechtigde: houder van een van volgende zakelijke rechten:
7° renovatie: werken waarbij een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen/meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vereist is en meer dan 60% van de gevelvlakken behouden blijven;
8° nieuwbouw: werken waarvoor een aanvraag tot omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen/meldingsakte als vermeld in artikel 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning vereist is en waarbij minder dan 40% van de gevelvlakken behouden blijven;
9° renovatienota:gedetailleerde, gedateerde en ondertekende nota die door het college van burgemeester en schepenen wordt goedgekeurd en waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
10° kamer: woning waarin één of meer van de volgende voorzieningen ontbreken:
en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw waarvan de woning deel uitmaakt;
11° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
12° leegstaande kamer: een kamer die gedurende een periode van ten minste 12 opeenvolgende maanden niet aangewend wordt als kamer in de zin van dit besluit;
13° dag : kalenderdag;
14° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt;
15° administratie: ambtenaar, belast door het college van burgemeester en schepenen met de opmaak en het beheer van het register van leegstaande woningen;
16° conformiteitsattest: een document dat de burgemeester op verzoek afgeeft en waaruit blijkt dat de woning, na onderzoek ter plaatse, conform is aan de kwaliteitsnormen, opgenomen in de Vlaamse Codex Wonen.
17° woongedeelte: de lokalen die noodzakelijk zijn voor het normaal dagelijks verblijf, met inbegrip van de leefruimtes, keukens, slaapkamers en sanitaire lokalen.
Art. 2. : belastbaar feit
§1. Er wordt voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2030 een gemeentebelasting gevestigd op de woningen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het leegstandsregister overeenkomstig het besluit van de gemeenteraad betreffende de opname van leegstaande woningen in het leegstandsregister.
§2. De belasting voor een leegstaande woning is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat die woning of dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het leegstandsregister, dit wil zeggen 12 maanden na datum van de administratieve akte tot opname in het leegstandsregister woningen.
Zolang de woning niet uit het leegstandsregister is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
§3. Een leegstaande woning kan slechts een tweede verblijf zijn wanneer het voldoet aan de kwaliteitsnormen, opgenomen in de Vlaamse Codex Wonen; dit bewijs wordt geleverd door middel van een recent conformiteitsattest.
Art. 3. : belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht over het leegstaande gebouw of de leegstaande woning op de verjaardag van de opnamedatum.
Als er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
Zo er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn deze hoofdelijk gehouden tot betaling van de verschuldigde belasting.
Van zodra een op het grondgebied van de gemeente Koksijde gelegen leegstaande woning verkocht wordt, moet de belastingplichtige binnen de twee maanden na verlijden van de akte, het gemeentebestuur Koksijde – dienst gemeentebelastingen hiervan schriftelijk in kennis stellen en de nodige bewijzen indienen.
Art. 4. : tarief
Voor het eerste aanslagjaar is het basisbedrag van de heffing van toepassing.
Het basisbedrag van de heffing voor een leegstaande woning wordt per belastbare woning vastgesteld op 2.000 euro;
Het basisbedrag van de heffing voor een leegstaande kamer wordt per belastbare kamer vastgesteld op 400 euro;
Het bedrag van de heffing voor de volgende aanslagjaren is gelijk aan het resultaat van volgende formule:
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een woning of kamer in het leegstandsregister staat, wordt opnieuw vanaf nul berekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende de woning of de kamer.
Art. 5. : vrijstellingen
Van de leegstandsheffing zijn uitsluitend vrijgesteld de in dit artikel opgenomen vrijstellingen.
§1. Persoonsgebonden vrijstellingen:
1° De belastingplichtige waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing wordt vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling van maximum 3 jaar gaat in vanaf de inventarisatiedatum wanneer de beslissing over de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige plaatsvond vóór de inventarisatie of vanaf de datum van de beslissing over de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige. Een afschrift van de gerechtelijke beslissing moet worden voorgelegd;
2° De belastingplichtige die sinds minder dan twee jaar zakelijk gerechtigde is van de woning wordt vrijgesteld van de belasting, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor de 2 heffingsjaren volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht. De belastingplichtige levert hiervoor de nodige bewijzen;
§2. Een vrijstelling wordt verleend indien de woning :
1° gerenoveerd wordt voor vergunningsplichtige of niet-vergunningsplichtige werken; de zakelijk gerechtigde dient voor niet-vergunningsplichtige werken een gedetailleerd renovatieschema in te dienen waaruit blijkt dat hij tijdens het aanslagjaar werken uitgevoerd heeft om de belastbaarheid te beëindigen; het gedetailleerd renovatieschema dient de volgende stukken te bevatten:
De vrijstelling geldt slechts gedurende een termijn van 1 jaar volgend op de datum van ontvangst van de omgevingsvergunning of van indiening van het renovatieplan, deze termijn kan met maximaal 1 jaar worden verlengd als de belastingplichtige hij aantoont dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag vooruitgang in de renovatiewerken is geboekt (aan te tonen door voorlegging van o.m. foto's, facturen, maar niet door verklaring onder eed);
Er kan maar eenmalig beroep gedaan worden op deze vrijstelling door eenzelfde eigenaar voor eenzelfde woning of gebouw;
2° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan;
3° geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld;
4° beschermd is als monument, stads- of dorpsgezicht krachtens het decreet van 3 maart 1976 of opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. De vrijstelling geldt voor een periode van twee jaar.
Voor de beschermde monumenten kan deze periode van vrijstelling worden verlengd indien er een restauratiepremiedossier wordt ingediend. De vrijstelling duurt tot drie jaar na het einde van de termijn van behandeling van het restauratiepremiedossier;
5° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging;
6° onmogelijk effectief gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure of omwille van een andere soortgelijke procedure, vb. bij de afhandeling van een verzekeringsonderzoek of geschil.
De vrijstelling gaat in:
De nodige bewijsstukken van de gerechtelijke procedure moeten hierbij voorgelegd worden en de belastingplichtige moet spontaan de administratie op de hoogte houden over het verloop van de procedure.
Gerechtelijke procedures in het kader van huurgeschillen of geschillen waarvoor de bevoegde rechtbank geen verzegeling van de woning en/of gebouw heeft uitgesproken, geven geen aanleiding tot het verlenen van een vrijstelling van de belasting;
7° het voorwerp uitmaakt van een door de gemeente, het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn of een sociale woonorganisatie verkregen sociaal beheersrecht, overeenkomstig art. 5.82. van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
8° in hoofdzaak gediend heeft voor de uitbating van een economische activiteit en waarvan de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit en houder van het zakelijk recht van het gebouw een gedeelte van het gebouw bewoont. Deze vrijstelling geldt zolang de vermelde voorwaarden zijn vervuld.
§3. Overmacht
Een vrijstelling wordt verleend wanneer de leegstand het gevolg is van overmacht. Dit wil zeggen als de leegstand te wijten is aan redenen buiten de wil van de houder van het zakelijk recht en redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze een einde stelt aan de leegstand.
§4. Elke zakelijk gerechtigde die zich beroept op een vrijstelling zoals voorzien in dit artikel moet er het bewijs van leveren.
De zakelijk gerechtigde die zich beroept op een vrijstelling moet alle documenten en bewijzen, binnen de maand na de schriftelijke aanvraag, overmaken aan de administratie, teneinde deze in staat te stellen de gegrondheid van de vrijstellingsaanvraag te kunnen beoordelen.
§5. Vrijstelling van belasting kan ambtshalve worden toegepast voor zover de administratie in het bezit is van afdoende bewijskrachtige gegevens.
§6. Reeds toegekende vrijstellingen op basis van een vorig belastingreglement worden hiermee verrekend.
Art. 6. : invordering
De belasting wordt door middel van kohieren ingevorderd overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170§4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie en gemeentebelastingen
Gelet op het decreet van 25 april 2014, en latere wijzigingen, betreffende de omgevingsvergunning;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
Gelet op de reglementen van de gemeenteraad van 19 december 2016, van 20 maart 2017, van 16 december 2019 en van 15 december 2025 betreffende de opname van leegstaande woningen en/of leegstaande gebouwen in het leegstandsregister;
Overwegende dat het gerechtvaardigd is een billijke financiële tussenkomst te vragen van alle belanghebbenden op het grondgebied van de gemeente, gelet op de financiële toestand van de gemeente en de wettelijke verplichting om een financieel evenwicht te handhaven;
Overwegende dat langdurige leegstand vaak de voorbode is van verwaarlozing en verkrotting, en soms zelfs van de verloedering van een straat of buurt;
Overwegende dat langdurige leegstand, zeker in buurten waar veel leegstand voorkomt, het onveiligheidsgevoel kan doen toenemen, dat gebruikte gebouwen zorgen voor een levendigere omgeving, voor meer sociale controle en een groter veiligheidsgevoel;
Overwegende dat leegstaande gebouwen makkelijker het mikpunt zijn van vandalisme en krakers, en soms ook worden gebruikt als schuilplaats voor illegale of criminele activiteiten;
Overwegende dat sommige eigenaars gebouwen laten leegstaan om speculatieve redenen, in de hoop op hogere prijzen in de toekomst; dat zij evenwel niet bijdragen echter aan de kosten die leegstand met zich meebrengt;
Overwegende dat leegstaande gebouwen het ruimtebeslag verhogen, terwijl de ecologische en maatschappelijke druk steeds groter wordt om hier zuinig mee om te gaan.
Overwegende dat leegstand één van de meest hinderlijke elementen vormt in het straatbeeld van een handels- en/of stadskern en omliggende straten; dat het op negatieve wijze de aantrekkelijkheid van een gemeente beïnvloedt doordat een desolate indruk wordt gecreëerd; dat de aantrekkingskracht van een gemeente mede bepaald wordt door het pakket aan voorzieningen inzake detailhandel en horeca, alsook de kwaliteit ervan; dat de leegstand bij woningen aldus ook sterk bepaald wordt door dit (kwalitatief) aanbod aan detailhandel, horeca en andere activiteiten uitgeoefend in de gebouwen.
Overwegende dat de leegstand van gebouwen aldus een sneeuwbaleffect kan teweegbrengen, vooreerst bij de aantrekkelijkheid van de winkelgebieden en aldaar een toename van de leegstand, en aldus bij de aantrekkelijkheid van de gemeente in het algemeen, die dan weer een toename creëert van de leegstand bij de woningen. Zodoende hebben leegstaande gebouwen een grotere negatieve impact op de aantrekkelijkheid van de gemeente dan leegstaande woningen en is het verantwoord om voor leegstaande gebouwen een hoger belastingtarief te hanteren dan voor woningen; Dat langdurige leegstand van woningen en gebouwen in de gemeente moet voorkomen en bestreden worden;
Overwegende dat het wenselijk is dat het op het grondgebied van de gemeente beschikbare gebouwenbestand ook als dusdanig gebruikt wordt omdat leegstand leidt tot verloedering wat extra taken met zich meebrengt voor de gemeente;
Overwegende dat in het algemeen de vrijstellingen van belasting die in dit reglement zijn opgenomen het best aansluiten bij de noden en het beleid van de gemeente; dat de motivering van deze vrijstellingen, zeer logisch is en blijkt uit de formulering van de vrijstelling zelf;
Art. 1: De belastbare grondslag of het belastbaar feit
§1 De gemeente heft een belasting op de gebouwen die gedurende minstens twaalf opeenvolgende maanden zijn opgenomen in het leegstandsregister van de leegstaande gebouwen.
De definities van gebouwen en leegstaand gebouw en leegstandsregister zijn omschreven in artikel 3.
§2 De belasting voor een leegstaand gebouw is voor het eerst verschuldigd vanaf het ogenblik dat dat gebouw gedurende twaalf opeenvolgende maanden is opgenomen in het leegstandsregister, dit wil zeggen 12 maanden na datum van de administratieve akte tot opname in het register van de leegstaande gebouwen.
Zolang het gebouw niet uit het leegstandsregister is geschrapt, blijft de belasting verschuldigd op het ogenblik dat een nieuwe termijn van twaalf maanden verstrijkt.
Art. 2: De belastbare periode
De belasting op de leegstaande gebouwen wordt geheven voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031.
Art. 3: Definities
Voor de toepassing van dit belastingreglement wordt verstaan onder:
1° administratie: de gemeentelijke administratieve eenheid die (door het gemeentebestuur wordt belast met de opmaak, de opbouw, het beheer en de actualisering van het leegstandsregister;
2° beroepsinstantie: het college van burgemeester en schepenen;
3° beveiligde zending: één van de hiernavolgende betekeningswijzen:
• een aangetekend schrijven;
• een afgifte tegen ontvangstbewijs;
4° gebouw: elk bebouwd onroerend goed, dat zowel het hoofdgebouw als de bijgebouwen omvat, met uitsluiting van bedrijfsruimten, behalve bedrijfsgebouwen op een verzameling van percelen kleiner dan 5 are en bedrijfsgebouwen waarin de woning van de eigenaar een niet-afsplitsbaar onderdeel uitmaakt en dat nog effectief wordt benut als verblijfplaats, vermeld in artikel 2, 1° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten;
5° leegstaand gebouw: gebouw dat beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10., §2, van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk gebouw waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
De functie van het gebouw is deze die overeenkomt met een voor het gebouw of voor gedeelten daarvan afgeleverde of gedane omgevingsvergunning of melding in de zin van art. 6 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning. Bij een gebouw waarvoor geen vergunning of melding voorhanden is of waarvan de functie niet duidelijk uit een vergunning of melding blijkt, wordt deze functie afgeleid uit het gewoonlijk gebruik van het gebouw voorafgaand aan het vermoeden van leegstand, zoals dat blijkt uit aangiften, akten of bescheiden.
Een gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit, vermeld in artikel 2, 2° van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten, wordt niet beschouwd als leegstaand zolang de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit een gedeelte van het gebouw bewoont en dat gedeelte niet afsplitsbaar is. Een gedeelte is eerst afsplitsbaar indien het na sloping van de overige gedeelten kan worden beschouwd als een afzonderlijke woning die voldoet aan de bouwfysische vereisten;
5°/1 leegstaand gebouw met economische functie: gebouw dat in hoofdzaak gediend heeft voor een economische activiteit als vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten en waarvan meer dan de helft van de totale vloeroppervlakte niet overeenkomstig de functie van het gebouw wordt aangewend gedurende een periode van ten minste twaalf opeenvolgende maanden. Hierbij wordt geen rekening gehouden met woningen die deel uitmaken van het gebouw.
6° leegstandsregister: het gemeentelijk register van leegstaande gebouwen, vermeld in art 2.9. van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;
7° leegstand bij nieuwbouw: gebouw die beantwoordt aan de definitie in artikel 2.10., §3 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, namelijk een nieuw gebouw wordt als een leegstaand gebouw beschouwd indien dat gebouw binnen zeven jaar na de afgifte van een omgevingsvergunning in laatste administratieve aanleg niet aangewend wordt overeenkomstig zijn functie;
8° opnamedatum: de datum waarop het gebouw voor de eerste maal in het leegstandsregister wordt opgenomen;
11° verjaardag: het ogenblik van het verstrijken van elke nieuwe periode van twaalf maanden vanaf de opnamedatum, zolang het gebouw niet uit het leegstandsregister is geschrapt;
9° houder van het zakelijk recht: de houder van één van de volgende zakelijke rechten:
• de volle eigendom;
• het recht van opstal of van erfpacht;
• het vruchtgebruik;
10° renovatienota: gedetailleerde, gedateerde en ondertekende nota die door het college van burgemeester en schepenen wordt goedgekeurd en waarin minstens volgende elementen zijn opgenomen:
• een overzicht van de voorgenomen werken;
• een gedetailleerd tijdschema waaruit blijkt dat binnen een periode van maximaal X maanden de woning bewoonbaar wordt gemaakt;
• bestekken en/of facturen met betrekking tot de voorgenomen werken;
• fotoreportage met weergave van de bestaande toestand van de te renoveren onderdelen;
• (in voorkomend geval) het akkoord van alle mede-eigenaars.
Art. 4: De belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door de houder van het zakelijk recht over het leegstaande gebouw of de leegstaande woning op de verjaardag van de opnamedatum.
Als er een recht van opstal, erfpacht of vruchtgebruik bestaat, is de belasting verschuldigd door de houder van dat zakelijk recht van opstal, van erfpacht of van vruchtgebruik op het ogenblik dat de belasting van het aanslagjaar verschuldigd wordt.
In geval van overlijden van de belastingplichtige wordt ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’.
In geval van mede-eigendom, is iedere mede-eigenaar belastingplichtig voor zijn wettelijk deel. Elke mede-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
In geval van multi-eigendom, is iedere multi-eigenaar belastingplichtig volgens zijn toegewezen deel. Elke multi-eigenaar is hoofdelijk gehouden tot betaling van de belasting.
Art. 5: Berekeningsgrondslag en tarief of aanslagvoet
Voor het eerste aanslagjaar is het basisbedrag van de heffing van toepassing.
Het basisbedrag van de heffing voor een leegstaand gebouw wordt per belastbaar gebouw vastgesteld op 3.000 euro;
Het basisbedrag van de heffing voor een leegstaand gebouw met economische functie wordt per belastbaar gebouw vastgesteld op 3.000 euro;
Het bedrag van de heffing voor de volgende aanslagjaren is gelijk aan het resultaat van volgende formule:
Het aantal termijnen van twaalf maanden dat een gebouw of een gebouw met economische functie in het leegstandsregister van leegstaande gebouwen staat, wordt herberekend bij overdracht van het zakelijk recht betreffende het gebouw of het gebouw met economische functie.
Art. 6: Vrijstellingen
§1. Een vrijstelling van de belasting kan aangevraagd worden via beveiligde zending bij de gemeente. De houder van het zakelijk recht die gebruik wenst te maken van een vrijstelling als vermeld in §3 of §4, dient zelf hiervoor de nodige bewijsstukken voor te leggen aan de administratie.
§2. Persoonsgebonden vrijstellingen
1° De belastingplichtige waarvan de handelingsbekwaamheid beperkt werd ingevolge een gerechtelijke beslissing wordt vrijgesteld van de belasting. Deze vrijstelling van maximum 3 jaar gaat in vanaf de inventarisatiedatum wanneer de beslissing over de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige plaatsvond vóór de inventarisatie of vanaf de datum van de beslissing over de handelingsbekwaamheid van de belastingplichtige. Een afschrift van de gerechtelijke beslissing moet worden voorgelegd;
2° De belastingplichtige die sinds minder dan twee jaar zakelijk gerechtigde is van het gebouw wordt vrijgesteld van de belasting, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt voor de 2 heffingsjaren volgend op het verkrijgen van het zakelijk recht. De belastingplichtige levert hiervoor de nodige bewijzen;
§3. Gebouwgebonden vrijstellingen
Een vrijstelling wordt verleend als het gebouw of gebouw met economische functie :
1° gerenoveerd wordt. Er kunnen twee gevallen van renovatie onderscheiden worden:
De vrijstelling geldt slechts gedurende een termijn van 1 jaar volgend op de datum van indiening van het renovatieplan, deze termijn kan met maximaal 1 jaar worden verlengd als de belastingplichtige hij aantoont dat in het jaar voorafgaand aan de aanvraag vooruitgang in de renovatiewerken is geboekt (aan te tonen door voorlegging van o.m. foto's, facturen, maar niet door verklaring onder eed);
Er kan maar éénmalig, binnen een termijn van 15 jaar, beroep gedaan worden op deze vrijstelling door eenzelfde eigenaar voor eenzelfde gebouw;
2° gelegen is binnen de grenzen van een door de bevoegde overheid goedgekeurd onteigeningsplan;
3° geen voorwerp meer kan uitmaken van een omgevingsvergunning omdat een voorlopig of definitief onteigeningsplan is vastgesteld;
4° beschermd is als monument, stads- of dorpsgezicht krachtens het decreet van 3 maart 1976 of opgenomen is in de inventaris van het bouwkundig erfgoed. De vrijstelling geldt voor een periode van twee jaar.
Voor de beschermde monumenten kan deze periode van vrijstelling worden verlengd indien er een restauratiepremiedossier wordt ingediend. De vrijstelling duurt tot drie jaar na het einde van de termijn van behandeling van het restauratiepremiedossier;
5° vernield of beschadigd werd ten gevolge van een plotse ramp, met dien verstande dat deze vrijstelling slechts geldt gedurende een periode van drie jaar volgend op de datum van de vernieling of beschadiging;
6° onmogelijk effectief gebruikt kan worden omwille van een verzegeling in het kader van een strafrechtelijk onderzoek of omwille van een expertise in het kader van een gerechtelijke procedure of omwille van een andere soortgelijke procedure, vb. bij de afhandeling van een verzekeringsonderzoek of geschil.
De vrijstelling gaat in
De nodige bewijsstukken van de gerechtelijke procedure moeten hierbij voorgelegd worden en de belastingplichtige moet spontaan de administratie op de hoogte houden over het verloop van de procedure.
Gerechtelijke procedures in het kader van huurgeschillen of geschillen waarvoor de bevoegde rechtbank geen verzegeling van de woning en/of gebouw heeft uitgesproken, geven geen aanleiding tot het verlenen van een vrijstelling van de belasting;
7° in hoofdzaak gediend heeft voor de uitbating van een economische activiteit en waarvan de oorspronkelijke beoefenaar van deze activiteit en houder van het zakelijk recht van het gebouw een gedeelte van het gebouw bewoont, mits het pand visueel deel blijft uitmaken van het heersend straatbeeld en aldus de voormalige etalage niet wordt afgesloten, zoals bv. door een rolluik. Deze vrijstelling geldt zolang de vermelde voorwaarden zijn vervuld.
8° Vrijstelling voor tijdelijk gebruik van een gebouw met economische functie om het ondernemerschap te ondersteunen:
De houder van het zakelijk recht krijgt een vrijstelling, op voorwaarde dat het pand minimum voor een periode van vier maanden aaneensluitend geëxploiteerd is voor een kwalitatief tijdelijk, publiek toegankelijk sociaal en/of cultureel initiatief of voor een kwalitatieve pop-up handels- of horecazaak, en zolang de functie(wijziging) strookt met de geldende regelgeving. Bij een kwalitatieve pop-up zal de huurder het pand gebruiken bij de uitoefening van een kleinhandelszaak of de opstart van een ambachtelijk bedrijf, waarbij er een rechtstreeks contact is tussen de huurder en het publiek. Het college van burgemeester en schepenen zal bij de behandeling van de vrijstelling de kwaliteit van de invulling verder beoordelen op basis van objectieve data verkregen uit de detailhandelsdatabank Locatus, openingsuren, aankleding van de winkel,...(niet-limitatieve lijst).
Tijdens de vrijstellingsperiode stelt de houder van het zakelijk recht via de ondertekening van een lastgeving zijn leegstaand gebouw ter beschikking voor tijdelijke invullingen. Dat kan voor pop-upactiviteiten (in het kader van het decreet houdende de huur van korte duur van handel en ambacht) en voor startende ondernemers. De houder van het zakelijk recht dient tijdens de vrijstellingsperiode de administratie op de hoogte te houden van elk bezettingscontract dat getekend wordt.
Na deze vrijstellingsperiode wordt de houder van het zakelijk recht terug heffingsplichtig tenzij er opnieuw een vrijstelling kan worden aangevraagd voor een tijdelijk gebruik gedurende minimum vier maanden aaneensluitend.
Deze vrijstelling kan door eenzelfde houder van het zakelijk recht voor maximaal 2 jaar ingeroepen worden binnen een termijn van 10 jaar.
§4. Overmacht
Een vrijstelling wordt verleend wanneer de leegstand het gevolg is van overmacht. Dit wil zeggen als de leegstand te wijten is aan redenen buiten de wil van de houder van het zakelijk recht en redelijkerwijze niet kan worden verwacht dat deze een einde stelt aan de leegstand.
Art. 7: Wijze van inning
De belasting wordt ingevorderd met een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen..
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 1996 betreffende de heffing ter bestrijding van de leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse regering van 15 juli 1997;
Gelet op artikel 3.3. en volgende van het gecodificeerd decreet van over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 (citeeropschrift: "Vlaamse Codex Wonen van 2021");
Gelet op artikel 3.4.lid 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (citeeropschrift: "Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021");
Gelet op artikel 41,2e lid, 14° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen bevoegde ambtenaren aanstelde om een woningonderzoek uit te voeren;
Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen voor de afgifte van een conformiteitsattest een forfaitaire vergoeding wenst te vragen voor de kosten van dit onderzoek op aanvraag;
Gelet op de financiële toestand van de gemeente;
Art.1 : In overeenstemming artikel 3.4 van het Besluit Vlaamse Wooncodex van 2021, worden de vergoedingen voor het voeren van conformiteitsonderzoeken op verzoek voor kamers, studentenkamers of woningen op het grondgebied van Koksijde vanaf 1 januari 2026 als volgt vastgesteld:
Art. 2 : Deze vergoeding is verschuldigd door de natuurlijke, de feitelijke of de rechtspersoon die het conformiteitsonderzoek aanvraagt.
Art. 3 : De retributie moet ten laatste bij de aanvraag betaald worden in handen van de financieel directeur of door overschrijving op een rekening van het gemeentebestuur.
Art. 4: Vrijstelling:
Art. 5: Invorderingsprocedure en eventuele betwisting van de schuldvordering
§1. De schuldvorderingen moeten betaald worden voor de vervaldag vermeld op de factuur/kostennota.
§2. De gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, die niet akkoord gaat met de toegestuurde schuldvordering beschikt over een termijn van vijftien kalenderdagen, volgend op de datum van verzending van de schuldvordering/factuur/kostennota, om zijn niet-akkoord met de toegestuurde schuldvordering schriftelijk en gemotiveerd in te dienen bij het college van burgemeester en schepenen, dat erover beslist rekening houdend met dit reglement.
Indien de gebruiker van de dienst waarvoor de retributie wordt geheven, geen beroep instelt bij het schepencollege, dan wordt de schuldvordering als onbetwist en opeisbaar beschouwd in de zin van artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.
§3. Vervolg van de procedure tot de volledige betaling van de retributie en eventuele administratiekosten:
§4. Bij gebreke aan minnelijke betaling, wordt een dwangbevel overeenkomstig artikel 177 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur opgemaakt door de gemeentelijke financieel directeur. Het dossier wordt overgemaakt aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder zet de invordering minnelijk en indien nodig gerechtelijk verder.
De kosten, rechten en uitschotten blootgesteld in alle fasen van de invordering worden berekend overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 november 1976 dat het tarief vastlegt van de akten verricht door de gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van sommige toelagen
§5. Alle invorderingskosten zijn integraal verschuldigd door de in gebreke blijvende schuldenaar van de retributie.
§6. In geval van betaling wordt de ontvangen som eerst aangerekend op de invorderings- en administratiekosten en vervolgens op de openstaande som van de schuldvordering/retributie.
Art. 6 : Het besluit van de gemeenteraad van 16 december 2019 houdende de hervaststelling van de retributie voor het afleveren van conformiteitsattesten voor woningen en kamers die verhuurd worden als hoofdverblijfplaats wordt opgeheven met ingang van 1 januari 2026.
Gelet op het energiedecreet van 8 mei 2009, latere wijzigingen, en de uitvoeringsbesluiten;
Gelet op artikel 40 en 41, 2e lid, 14° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat op de parking van het sociaal huis door de gemeente publieke laadpalen voor het elektrisch laden van voertuigen werden geïnstalleerd, die zowel voor eigen elektrische voertuigen als voor voertuigen van derden kunnen gebruikt worden (publiek); dat er eveneens op de werf en depot laadpalen werden geïnstalleerd voor gemeentelijke voertuigen, maar ook door personeel (semipubliek); dat het niet de bedoeling kan zijn dat het laden van niet-gemeentelijke bedrijfsvoertuigen met elektriciteit uit de laadpaal gratis zou worden aangeboden; dat daarom een tarief moet bepaald worden;
Overwegende dat het niet de bedoeling is in concurrentie te gaan met andere laadpalen op openbaar domein en dus een vergelijkbaar tarief aan te bieden als de private aanbieders; dat daarom voorgesteld wordt om hetzelfde tarief te hanteren als door AGB Koksijde dat reeds hiermee ervaring heeft met laadpalen op de parking bij Golf Ter Hille; dat bij de bepaling van het tarief rekening wordt gehouden met de kosten van de investering en werking van de laadpalen en van de elektriciteitsprijzen; dat op het leveren van energie BTW verschuldigd is;
Overwegende de volatiliteit van de elektriciteitsprijzen, zodat het aangewezen is de wijziging van tarieven voor door de gemeente geplaatste laadpalen in de toekomst te delegeren naar het college van burgemeester en schepenen;
Art. 1:Toepassing
§1. Er worden vanaf 18 december 2025 door de gemeente Koksijde laadpalen uitgebaat om inwoners of bezoekers van de gemeente Koksijde in de mogelijkheid te stellen, tijdens het parkeren, hun elektrische wagen op te laden. Om dit te doen, is het noodzakelijk om een tarief op te stellen, rekening houdend met alle kosten voor het plaatsen en onderhouden van de laadpalen, alsook de elektriciteit die per beurt betaald wordt.
§2. Dit reglement is enkel van toepassing voor de laadbeurten die gebeuren aan laadpalen die onder het beheer van de gemeente Koksijde vallen en betreft momenteel:
Art. 2: Het tarief voor de laadbeurten wordt initieel vastgesteld op 0,57 euro/kwh excl. btw.
De kostprijs voor het parkeren is niet inbegrepen in dit tarief.
Art. 3: De bevoegdheid om het tarief te wijzigen en toekomstige laadpalen toe te voegen aan dit retributiereglement wordt aan het college van burgemeester en schepenen gedelegeerd, ten einde sneller te kunnen inspelen op de wijzigingen van de markt.
Art. 4: Dit reglement treedt in werking op 18 december 2025.
Gelet op artikel 41, lid 2, 14° van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende dat de gemeente en de burgers voortdurend geconfronteerd worden met de plaatsing van en/of onderhoud aan verschillende nutsvoorzieningen op gemeentelijk grondgebied;
Overwegende dat deze nutsvoorzieningen werkzaamheden vergen langs de gemeentelijke wegen en aldus een impact hebben op het openbaar domein;
Overwegende de goedkeuring door de gemeente van de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken langs gemeentewegen die tot doel heeft een snelle en vlotte uitvoering van de werken te bevorderen, teneinde de hinder en de duur van de werken tot een minimum te herleiden;
Overwegende dat deze Code werd opgemaakt door een overlegplatform bestaande uit een delegatie van nutsbedrijven en een delegatie van de gemeenten;
Overwegende dat er op het vlak van het onderhoud en de herstellingen ook geregeld dringende werken moeten worden uitgevoerd die verband houden met de continuïteit van de dienstverlening en dat er daarnaast een aantal werken zijn zoals aansluitingswerken, herstellingen en andere kleine onderhoudswerken die omzeggens constant een impact hebben op het openbaar domein;
Overwegende dat de actualisatie van de code naar aanleiding van meer aandacht voor minder hinder, meer oog voor het totaal concept en het gebruik van nieuwe e-instrumenten GIPOD, KLIP...;
Art.1: Algemeen
Er wordt aan de eigenaar van elke nutsvoorziening een retributie aangerekend op de gemeentelijke dienstverlening en het gebruik van het gemeentelijk openbaar domein naar aanleiding van werken aan permanente nutsvoorzieningen op het gemeentelijk openbaar domein, in uitvoering en met toepassing van de Code voor Infrastructuur- en Nutswerken langs gemeentewegen.
Permanente nutsvoorzieningen omvatten:
De retributie is niet verschuldigd indien de werken worden uitgevoerd samen met of onmiddellijk voorafgaand aan wegen- of rioleringswerken uitgevoerd door de stad/gemeente of indien het werken zijn die uitgevoerd worden op verzoek van de stad/gemeente.
Deze retributie sluit elke andere heffing, semi-heffing, of waarborgstelling in het kader van werken aan permanente nutsvoorzieningen door de gemeente uit zowel in hoofde van de distributienetbeheerder als van haar werkmaatschappij en ongeacht of voorgenoemden deze werken uitvoeren in eigen naam, dan wel laten uitvoeren door derden in naam en voor rekening van de distributienetbeheerder of de werkmaatschappij.
Onderhavig retributiereglement gaat in vanaf 1 januari 2026 voor een termijn eindigend op 31 december 2028.
Art.2: Retributie naar aanleiding van sleufwerken
De retributie naar aanleiding van sleufwerken is verschuldigd per dag en per meter openliggende sleuflengte voor alle sleufwerken. Zij bedraagt per meter sleuflengte voor werken in rijwegen 10,24 euro, voor werken in voet¬paden 7,88 euro en voor werken in aardewegen 4,73 euro.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de Vlaamse Nutsregulator (VNR) goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Indexatie gebeurt aan het begin van een nieuwe cyclus van 3 jaar.
Een begonnen dag geldt voor een volledige dag.
Art.3: Retributie voor dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen, kleine onderhoudswerken en ter compensatie van diverse heffingen en belastingen
Voor de hinder veroorzaakt door de dringende werken, aansluitingswerken, herstellingen en kleine onderhoudswerken met een sleufoppervlakte van maximum 3 m², wordt per kalenderjaar een retributie geheven van 1,00 euro per op het grond¬gebied van de gemeente aanwezig aansluitingspunt.
Ter compensatie van diverse heffingen en belastingen in hoofde van zowel de distributienetbeheerder als zijn werkmaatschappij wordt een retributie voorzien van 0,5 euro per aanwezig aansluitingspunt op het grondgebied van de gemeente.
Op deze basisbedragen wordt een indexatie toegepast, naar analogie met de door de VNR goedgekeurde niet-periodieke tarieven, zoals jaarlijks gepubliceerd in augustus.
Deze retributies zijn verschuldigd vóór het einde van ieder jaar. In dit kader doet iedere nutsmaatschappij vóór 15 december van ieder jaar opgave van het aantal aansluitingspunten op het grondgebied van de gemeente.
Art.4: Inning
De retributie dient te worden betaald binnen de 30 kalenderdagen na toezending van de facturen.
Gelet op de richtlijn 2000/60/EG van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, de Europese Kaderrichtlijn Water ;
Gelet op richtlijn 91/271/EEG van 21 mei 1991 inzake de behandeling van gemeentelijk afvalwater;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1999 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 30 maart 1996 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder, alsook van de verhouding waarin het Vlaams gewest bijdraagt in de kosten verbonden aan de aanleg en de verbetering door de gemeenten van openbare riolen, andere dan prioritaire rioleringen, evenals houdende de vaststelling van de nadere regels met betrekking tot de procedure tot vaststelling van subsidiëringsprogramma’s;
Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 februari 2002 met betrekking tot de subsidiëring van de aanleg door de gemeenten van openbare rioleringen, andere dan prioritaire rioleringen en van de bouw door de gemeenten van kleinschalige rioolwaterzuiveringsinstallaties;
Gelet op de recente evolutie met betrekking tot de reorganisatie van de watersector en de beslissingen van de Vlaamse regering hieromtrent van 17 december 2004 ;
Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, in het bijzonder artikel 41,2e lid,14°;
Gelet op de door de gemeenteraad op 23 juni 2026 goedgekeurde overeenkomst met Aquaduin in kader van overdracht van de gemeentelijke saneringsverplichting, vervangend de overeenkomst dd. 26 februari 2007 en latere wijzigingen;
Overwegende het feit dat de bovengemeentelijke saneringsbijdrage de basis vormt voor de bepaling van de gemeentelijke saneringsbijdrage; dat de gemeentelijke saneringsbijdrage berekend wordt op een coëfficiënt die decretaal wordt vastgelegd op de bovengemeentelijke saneringsbijdrage; dat de bovengemeentelijke jaarlijks wordt geïndexeerd of aangepast, zodat het beter is de beslissing te nemen met verwijzing naar de decretraal toegestane maximale verhogingscoëfficiënt;
Overwegende dat de gemeentelijke saneringsbijdrage de kosten dekt voor de aanleg, onderhoud en vernieuwing van rioleringen en aansluitingen erop, het grachtenstelsel en kleinschalige waterzuiveringsinstallaties en ten laste valt van degene die het water verbruikt; dat dit enerzijds de abonnees van de IWVA betreffen en anderzijds de eigen waterwinners;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1 : Voor de dienstjaren 2026 tot en met 2031 wordt het bedrag van de gemeentelijke saneringsbijdrage vastgesteld op het resultaat bekomen door de vermenigvuldiging van de decretaal toegestane maximum coëfficiënt van de gemeentelijke saneringsbijdrage met de bovengemeentelijke saneringsbijdrage per m³ (excl. BTW) van de per aansluitingspunt op het waterleidingsnet op het grondgebied van de gemeente geleverde water door Aquaduin/IWVA ten laste van de waterafnemer.
Art. 2: Voor de dienstjaren 2026 tot en met 2031 wordt het bedrag van de gemeentelijke saneringsvergoeding voor de eigen waterwinners vastgesteld op het resultaat bekomen door de vermenigvuldiging van decretaal toegestane maximum coëfficiënt van de gemeentelijke saneringsbijdrage met de bovengemeentelijke saneringsbijdrage per m³ (excl. BTW) ten laste van de eigen waterwinner.
Art. 3: Afschrift van deze beslissing wordt overgemaakt aan Aquaduin/IWVA.
Gelet op de grondwet, in het bijzonder artikelen 41, 162 en 170 §4;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en latere wijzigingen, en in het bijzonder artikel 40 §3, artikel 41 14°, artikel 286 §1, artikel 287, artikel 288 en artikel 330;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 van de Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding houdende coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2023, en latere wijzigingen, houdende het algemeen politiereglement;
Overwegende de inspanningen die de gemeente levert voor het nivelleren van het strand, het rein houden van het strand, de baden- en strandinfrastructuur en de reddingsdienst aan zee ten behoeve van de badgasten die strandcabine plaatsen of verhuren; dat de gemeente voor het ingebruiknemen van de concessie baden een concessievergoeding moet betalen, die ook aangerekend wordt op de geplaatste strandcabines;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art.1: Voor de aanslagjaren 2026 tot en met 2031 wordt een jaarlijkse gemeentelijke belasting gevestigd op het plaatsen van cabines op het strand, met uitzondering van aan uitbaters toegekende (domein)concessies op het strand.
Art.2: Het plaatsen van cabines op het strand is onderworpen aan de schriftelijke machtiging van het College van Burgemeester en Schepenen, alsook aan het betalen van een jaarlijkse belasting. Deze machtiging is enkel geldig voor de duur van het badseizoen zoals vastgesteld in het plaatselijk algemeen politiereglement.
Art.3: De jaarlijkse belasting wordt vastgesteld als volgt:
De cabines welke ter beschikking gesteld worden, al dan niet tegen betaling van een prijs, aan derden door private personen, handelaars, feitelijke verenigingen of rechtspersonen worden beschouwd als cabines niet uitsluitend dienend voor eigen gebruik van de eigenaar-aanvrager en zijn gezin.
Art.4: De belasting is verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersoon die de machtiging tot plaatsing heeft aangevraagd. De eigenaar van de cabine is de belasting hoofdelijk verschuldigd.
Art.5: De belasting moet zonder uitstel betaald worden tegen afgifte van een betalingsbewijs of door overschrijving op de bankrekening van het gemeentebestuur.
Vooraleer de machtiging te verlenen dient het bedrag van de belasting in handen van de financieel directeur van de gemeente of op de gemeenterekening in bewaring gegeven. Deze bewaargeving brengt geen interesten op.
Bij gebreke aan contante betaling wordt de belasting ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Art.6: Deze belasting is niet van toepassing op de door het gemeentebestuur toegekende (domein)concessies op het strand voor plaatsing en uitbating van cabines.
Gelet op de grondwet, in het bijzonder artikelen 41, 162 en 170 §4;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen;
Gelet op het decreet van 4 april 2014, en latere wijzigingen, houdende de uitwisseling van informatie over een inname van het openbaar domein in het Vlaamse Gewest (GIPOD-decreet);
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en latere wijzigingen, en in het bijzonder artikel 40 §3, artikel 41 14°, artikel 286 §1, artikel 287, artikel 288 en artikel 330;
Gelet op het Koninklijk besluit van 24 september 2006, en latere wijzigingen, betreffende de uitoefening en de organisatie van ambulante activiteiten;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 van de Vlaams minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding houdende coördinatie van de onderrichtingen over de gemeentefiscaliteit;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 18 december 2023, en latere wijzigingen, houdende het algemeen politiereglement;
Overwegende dat bij bouwwerken bouwmaterialen, (rollend) materieel geplaatst worden buiten het privaat perceel in de openbare ruimte, op de openbare weg, voetpaden, bermen, pleinen enzovoort; dat hiervoor een aanvraag moet ingediend worden via een elektronisch portaal (actueel Eaglebe), dat gelinkt is aan GIPOD databank (Generiek Informatie Platform Openbaar Domein);
Overwegende dat door deze belasting degene die de openbare ruimte inneemt aangespoord wordt om de inname in tijd en ruimte te beperken en de hinder van zijn/haar inname van de openbare ruimte te beperken;
Overwegende dat de belasting de vergoeding oplegt voor het privatief gebruik van de openbare ruimte, ongeacht of dit gebruik voorafgaandelijk werd toegelaten of niet;
Overwegende dat veel hinder ervaren wordt bij het afsluiten van een straat;
Overwegende dat de tarieven ook gelden voor inname van het openbaar domein voor verhuizingen of bij filmopnames, aangezien dit ook hinder veroorzaakt op het verkeer en de toegankelijkheid voor andere weggebruikers;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art.1: Toepassingsgebied
Er wordt een belasting geheven voor de tijdelijke inname van de openbare ruimte bij bouwwerven voor bouwwerken zoals het bouwen, verbouwen, slopen, herstellen, herinrichten, renoveren, schilderen of zandstralen van gebouwen, zwembaden, grondwerken, tuinaanleg of -renovatie,… (dit is een niet limitatieve opsomming) of naar aanleiding van verhuizingen of filmopnames.
Het handelt louter over het vestigen van een belasting voor de tijdelijke inname van de openbare ruimte bij bouwwerven,verhuizingen of filmopnames. Het betalen van de belasting op de inname van de openbare ruimte houdt geen toestemming in om de openbare ruimte privatief te gebruiken. Deze inname is pas toegelaten na het verkrijgen van de nodige vergunningen van de bevoegde instanties.
Art.2: definitie
Art.3: Belastingplichtige
De belasting is verschuldigd door:
Berekeningsgrondslag en tarieven
| Inname openbare ruimte |
0,60 euro per vierkante meter per kalenderdag inname van de openbare ruimte. De minimale aanslag per aangifte bedraagt 50 euro. |
| afsluiten straat |
150,00 EUR bijkomende belasting per kalenderdag dat een straat volledig wordt afgesloten. Deze belasting is verschuldigd bovenop de belasting voor de werkelijke inname |
| plaatsen van verkoopburelen (ook deze gevestigd in caravans) buiten de rooilijn in de openbare ruimte op bv. voetpad, berm, fietspad, rijweg, plein of park,… |
500,00 euro per vierkante meter per aanslagjaar, zonder minimum van de gebruikstijd. |
| nav verhuizingen of bij uitvoering van filmopname |
forfait van 70 euro te vermeerderen met de belasting van de inname per vierkante meter |
De aanvraagtermijnen voor een vergunning zijn vastgelegd in de algemene politieverordening.
Er wordt een tarieftoeslag aangerekend voor de afhandeling van de aanvraag via spoedprocedure. De aanvrager vinkt dit aan zijn aanvraag.
De belasting wordt berekend aan de hand van de vergunning.
Iedere inname buiten het vergunde gedeelte wordt ambtshalve opgemeten en vastgesteld.
Voor het berekenen van de belasting wordt elke begonnen m² voor een volle m² aangerekend.
De belasting is verschuldigd per bouwwerf, verhuizing of filmopname en dit vanaf de eerste dag van de inname van het openbaar domein.
De belasting blijft verschuldigd tot de volledige ontruiming van het ingenomen gedeelte.
Iedere begonnen dag wordt aangerekend als een volle dag.
Voor een verhuizing binnen de gemeente wordt maar éénmaal de belasting gevorderd van het oude adres naar het nieuwe adres indien de verhuizing plaatsvindt op dezelfde dag.
Elke wijziging in een afgeleverde vergunning m.b.t. de startdatum, datum van stopzetting, uitbreiding of inkrimping van de inname van het openbaar domein moet schriftelijk worden bekend gemaakt aan het gemeentebestuur acht dagen vóór iedere uitvoering.
De werf of verhuizing of filmopname zonder vergunning, of dat deel van de oppervlakte/tijdsduur welke niet in de vergunning is voorzien, wordt eveneens belast aan bovenstaande tarieven en dit zolang er geen vergunning is. Het betalen van de belasting voor het niet-vergunde gedeelte houdt niet in dat deze inname vergund geacht wordt.
Naast de verschuldigde belasting kunnen een onrechtmatige (onvergunde) inneming van het openbaar domein, het niet naleven van de vergunningsvoorwaarden, of andere inbreuken op de algemene politieverordening aanleiding geven tot de opstart van een administratieve procedure in het kader van de gemeentelijke administratieve sancties.
Art.4: bijzondere bepalingen
§1. Het belastingtarief wordt vastgesteld volgens de regelen bepaald in het belastingreglement welke van kracht is op het ogenblik van toelating of vergunning tot inname van de openbare ruimte
§2. Bij ingebruikneming zonder de door het algemeen politiereglement van de gemeente Koksijde voorziene toelating treft de belasting de verantwoordelijke voor de bezetting van de openbare ruimte. De bouwheer, een eigenaar of één van de eigenaars van het perceel waar de werken worden uitgevoerd, zijn hoofdelijk gehouden tot betalen van de belasting.
In geval van verhuizingen of filmopnames is de eigenaar van de nummerplaat van de voertuigen die de inname doet, hoofdelijk gehouden tot betalen van de belasting.
De vaststelling van de in gebruik genomen openbare ruimte gebeurt door opmeting van de ingebruikneming ter plaatse door de aangestelden van het gemeentebestuur.
§3. In geval van ingebruikname zonder de voorziene toelating of in geval van ingebruikname van meer openbare ruimte dan voorzien in de toelating, wordt de belasting ingevorderd door middel van een kohier, met toepassing van de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
§4. Indien de inname vroeger ophoudt of later start dan oorspronkelijk aangegeven, moet de aanvrager, die de vergunning heeft verkregen, de gemeente via het elektronisch platform of per email met vermelding van het vergunningsnummer voorafgaandelijk en ten laatste vijf werkdagen voor het stopzetten van de inname of voor de aanvang van de vergunning, op de hoogte stellen van deze wijziging van de vergunning. Alleen dan gebeurt een terugbetaling van de teveel betaalde belasting voor de inname.
Art. 5: Vrijstellingen
Zijn vrijgesteld van de belasting:
Art. 6: invordering
De belasting moet zonder uitstel betaald worden alvorens de openbare ruimte in gebruik wordt genomen. De betaling zonder uitstel gebeurt via een elektronische toepassing na de aanvraag en vooraleer de vergunning wordt afgeleverd.
Indien de betaling niet zonder uitstel is gebeurd, dan wordt de belasting ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het College van Burgemeester en Schepenen. De belasting wordt ingevorderd met toepassing van de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Gelet op de artikelen 41, 162 en 170§4 van de Grondwet;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie en gemeentebelastingen
Gelet op het decreet over het lokaal bestuur van 22 december 2017, waaronder in het bijzonder de artikelen 2, 40 en 41;
Gelet op de omzendbrief van 15 februari 2019 nr. ABB 2019/2 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding betreffende de gemeentefiscaliteit;
Overwegende het feit dat de gemeente Koksijde zwaar investeert in de toeristische aantrekkelijkheid van de gemeente en dus haar waarde voor wie hier publicieit wil voeren; dat via deze belasting de publicitaire waarde, om reden waarvan de aanvragers net hier publicitaire acties willen voeren, wordt gerecupereerd;
Overwegende dat het flyeren of uitdelen van prosectussen of monsters op het openbaar domein kan vallen en moet opgeruimd worden en die kosten dan ook moeten gerecupereerd worden; dat voertuigen die traag door de gemeente rijden om publiciteit te voeren, hinderlijk zijn voor andere weggebruikers en een vlot verkeer stremmen; dat reclamevoertuigen langs invalswegen worden geplaatst en voor visuele overlast zorgen;
Overwegende dat bij de vestiging van een nieuwe handelszaak of bij de vernieuwing van een handelszaak de gemeente dergelijke initiatieven maximaal wil ondersteunen door deze belasting voor één dag vrij te stellen doch enkel n.a.v. de opening of vernieuwing van een voor het publiek toegankelijke handelszaak;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente;
Art. 1: Voor een termijn beginnend op 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt ten voordele van de gemeente een belasting geheven voor het gebruik van het openbare domein tot publicitaire doeleinden :
Art. 2: De belasting wordt op volgende grondslag vastgesteld :
1° voor publiciteit door middel van verklede personen of dieren, dragers van vaandels, spandoeken of andere publicitaire middelen : 50,00 euro per persoon of per dier en per kalenderdag;
2° voor publiciteit door middel van luidsprekers, aankondigingsvoertuigen of gelijkaardige voertuigen, of apparaten : 250,00 euro per voertuig of per apparaat en per kalenderdag;
3° Voor publiciteit door middel van reclamerijtuigen zonder geluidsversterking :
Met reclamevoertuigen worden bedoeld: rijtuigen welke de aandacht van het publiek vestigen op een bepaalde firma of firma's of op een bepaald product of producten, ofwel gebruikt worden voor enig ander publiciteitsdoeleinden en wier aanwezigheid op het grondgebied van de gemeente niet tot doel heeft er koopwaar af te leveren.
De reclamevoertuigen welke enkel de gemeente doortrekken worden niet belast.
Zij worden echter wel aan de belasting onderworpen indien zij hierbij :
4° door het plaatsen van een stilstaand voertuig of container om vandaaruit reclame te maken voor een dienstverlening, product of softwaretoepassing: 500 euro per kalenderdag
5° voor het uitdelen of verspreiden van prospectussen, flyers, leaflets, promo-artikelen, gadgets of andere reclameartikelen : 500,00 euro per kalenderdag.
Breuken van dagen worden als volledige dagen geteld.
Deze tarieven zijn cumulatief toepasbaar.
Art. 3: Zijn van de belasting vrijgesteld :
De vrijstellingen bedoeld onder b, c, d, en e worden toegestaan bij besluit van het College van burgemeester en schepenen op uitdrukkelijke voorafgaande vraag van de belanghebbende inrichting of vereniging.
Art. 4: Elke persoon, belastbaar ingevolge de voorschriften van dit reglement, is ertoe gehouden, minstens veertien kalenderdagen vooraf, bij het gemeentebestuur daarvan schriftelijk en ondertekend melding maken met aanduiding van alle gegevens die nodig zijn tot het vaststellen van het belastingbedrag.
Art. 5: De belasting wordt zonder uitstel ingevorderd tegen afgifte van een kwitantie. Bij gebrek aan onmiddellijke betaling of kwijting binnen de veertien dagen, wordt de belasting ingevorderd bij middel van een kohier overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen.
Gelet op artikel 235 §4 en 243 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Gelet op vaststelling van de jaarrekening 2024 van het AGB Koksijde door de raad van bestuur in zitting van 16 juni 2025;
Gelet op het positief advies van de gemeenteraad van 23 juni 2025 over de jaarrekening 2024 van het AGB Koksijde;
Overwegende dat de jaarrekening werd gepubliceerd op de webtoepassing van de gemeente; het autonoom gemeentebedrijf de toezichthoudende overheid op de hoogte bracht van deze publicatie op 24 juni 2025 en de digitale rapportering bezorgde op 26 juni 2025;
Art. 1 :De gemeenteraad neemt kennis van het besluit van de heer gouverneur van de provincie West-Vlaanderen tot goedkeuring van de jaarrekening over het financiële boekjaar 2024 van het AGB Koksijde.
Art. 2: De gemeenteraad geeft kwijting aan de bestuurders van het autonoom gemeentebedrijf;
Gelet op artikel 234 van het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Gelet op artikel 9 van de statuten van het AGB Koksijde;
Gelet op de beheersovereenkomst tussen de gemeente en het AGB Koksijde goedgekeurd in de gemeenteraad van 2 juli 2019;
Gelet op de nieuwe beheersovereenkomst onderhandeld tussen het college van burgemeester en schepenen en de raad van bestuur, goedgekeurd door het college in zitting van 13 oktober 2025 en goedgekeurd door de raad van bestuur in zitting van 20 oktober 2025;
Overwegende de dagelijkse werking van een AGB bestaat uit beleidsuitvoerende taken van gemeentelijk belang;
Overwegende deze beleidsuitvoerende taken door de gemeente toegekend worden aan het AGB Koksijde via een beheersovereenkomst;
Overwegende een beheersovereenkomst onderhandeld werd tussen het college van burgemeester en schepenen en de raad van bestuur van het AGB Koksijde;
Art. 1: De in bijlage van dit besluit opgenomen beheersovereenkomst tussen de gemeente Koksijde en het AGB Koksijde wordt goedgekeurd.
Gelet op artikel 233 over het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het voorstel tot statutenwijziging goedgekeurd door de raad van bestuur van het AGB Koksijde in zitting van 24 november 2025;
Gelet op de statuten van het AGB Koksijde goedgekeurd door de raad van bestuur AGB in zitting van 14 oktober 2013 en door de gemeenteraad in zitting van 21 oktober 2013;
Gelet op de beheersovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en het AGB Koksijde in zitting van 15 december 2025;
Overwegende de toekomstige investeringen opgenomen in het meerjarenplan 2026-2031 van het AGB Koksijde;
Overwegende de kapitaalsinbreng in het AGB Koksijde voorzien in het meerjarenplan 2026-2031 van de gemeente Koksijde;
Overwegende de beslissing tot een kapitaalverhoging in het AGB Koksijde vanuit de gemeente;
Overwegende de statutenwijziging bedoeld is om de financiële basis van het AGB Koksijde te versterken om de exploitatieopdracht opgenomen in de beheersovereenkomst te kunnen uitvoeren;
Gelet op artikel het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 249-275;
Gelet op artikel 39 van de statuten;
Gelet op artikel 14 van de beheersovereenkomst afgesloten met de gemeente op 02 juli 2019;
Gelet op het Besluit van de Vlaamse Regering van 30 maart 2018 over de beleids- en beheerscyclus van de lokale en de provinciale besturen;
Gelet op het Ministerieel besluit van 26 juni 2018 tot vaststelling van de modellen en de nadere voorschriften van de beleidsrapporten, de rekeningenstelsels en de digitale rapportering van de beleids- en beheerscyclus van de lokale en provinciale besturen;
Gelet op de omzendbrief KBBJ/ABB 2025/1 van 7 augustus 2025 betreffende de strategische maarjarenplannen 2026-2031 van de lokale en provinciale besturen volgens de beleids- en beheerscyclus;
Overwegende het voorgelegde strategisch meerjarenplan 2026-2031 van het AGB Koksijde waarbij elk jaar een positief beschikbaar resultaat wordt bereikt en een positieve autofinancieringsmarge in het laatste jaar;
Overwegende het meerjarenplan het beleid gedurende de komende zes jaar vastlegt;
Art. 1: De gemeenteraad keurt het meerjarenplan 2025-2031 van het AGB Koksijde in bijlage met volgende ramingen goed :
| 2026 | 2027 | 2028 | 2029 | 2030 | 2031 | |
| beschikbaar budgettair resultaat | 482.200 | 894.557 | 1.000.452 | 390.598 | 427.011 | 360.226 |
| autofinancieringsmarge | 677.598 | 598.713 | 286.462 | -100.027 | 225.716 | 119.046 |
Gelet op artikel 2, 40, 41 en 234 van het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Gelet op de beheersovereenkomst tussen gemeente Koksijde en AGB Koksijde;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 10 maart 2025 over het ontwerpen, bouwen en exploiteren van het nieuw zwembad Koksijde door het AGB Koksijde;
Gelet op de beslissing van de raad van bestuur van AGB Koksijde van 20 oktober 2025 tot goedkeuring van marktconsultatie financiering van nieuwbouw van een complex (zwembad en aanpalende sporthal) door middel van kredieten met technisch-financiële projectbegeleiding voor aandeel sporthal;
Overwegende de noodzaak om een nieuw gebouwencomplex te bouwen bestaande uit een nieuw zwembad en aanpalende sporthal, waarbij de procedure gevoerd wordt door het AGB Koksijde waarbij zij ook optreedt in naam van Gemeente Koksijde (beperkt tot deel aanpalende sporthal);
Overwegende dat de globale opdracht uit drie delen bestaat, nl.
- De financiering van de door de opdrachtgever gekozen investering(en), aan de hand van de terbeschikkingstelling van een kredietopening ten belope van het hierna vermelde maximale bedrag van 7 miljoen euro voor aandeel AGB Koksijde wat zwembad betreft en van 3 miljoen euro voor aandeel Gemeente Koksijde wat aanpalende sporthal betreft;
- De financiële bijstand en administratieve dienstverlening bij de uitvoering van het project;
- Een administratieve, financiële en technische begeleiding ten behoeve van de opdrachtgever tijdens de duurtijd van het project, hierna technisch-financiële projectbegeleiding genoemd, voor elk onderdeel van het project.
Overwegende dat het complex, voorwerp van deze opdracht, volgende investeringen betreft:
- Nieuw zwembad door AGB Koksijde: te realiseren in Koksijde-dorp in omgeving van huidig zwembad. Op het terrein, eigendom van de gemeente Koksijde, nodig voor de bouw van het nieuwe zwembad zal een zakelijk recht door de eigenaar (gemeente Koksijde) gevestigd worden ten voordele van de bouwheer (AGB Koksijde).
- Nieuwe sporthal door Gemeente Koksijde: te realiseren in Koksijde-dorp palend aan het nieuw zwembad voor rekening van de gemeente Koksijde. Het terrein is eigendom van de gemeente Koksijde.
Overwegende dat het hoofdvoorwerp van de opdracht de toekenning van kredieten betreft en de technisch-financiële begeleiding ondeelbaar en ondergeschikt is aan deze hoofdvoorwerp, is de wet inzake overheidsopdrachten van 17 juni 2016 niet van toepassing rekening houdend met de specifieke uitsluiting van kredieten van de toepassingsgebied van deze wet (artikels 21 § 2 en 28 § 1 6°); (de kostprijs van deze opdracht hoofdzakelijk bestaat uit de kosten van het aangaan van de benodigde bankleningen, nl.7 miljoen euro voor aandeel AGB Koksijde wat zwembad betreft en van 3 miljoen euro voor aandeel Gemeente Koksijde wat aanpalende sporthal betreft);
Dat voorliggende opdracht niet wordt opgedeeld in percelen; dat de aanbestedende overheid een totale ontzorging verkiest bij de bouw van het nieuwe zwembad (door AGB Koksijde) en de nieuwe sporthal (door Gemeente Koksijde) en met bijzondere aandacht voor de mogelijkheden tot een efficiënte, duurzame en kostenbesparende uitbating van de gebouwen in het complex op het vlak van energie-efficiëntie, personeelsinzet, duurzame technieken …. dat wegens de vereiste technische knowhow de complexiteit van de opdracht, en de nauwe verwevenheid van de verschillende deelaspecten – project opstart, projectbegeleiding en kredietverstrekking enkel één alomvattende opdracht het vereiste resultaat kan bereiken;
Art. 1: De opdracht op te starten door AGB Koksijde voor een marktconsultatie financiering van nieuwbouw van een complex (zwembad en aanpalende sporthal) door middel van kredieten met technisch-financiële projectbegeleiding wordt goedgekeurd.
Het betreft een opdracht waarbij AGB Koksijde de procedure voert voor het ganse complex en ook optreedt in naam van de Gemeente Koksijde voor het aandeel Sporthal palende aan het zwembad.
Deze opdracht bestaat voor wat het aandeel van de gemeente, namelijk Sporthal betreft, uit drie delen, nl.
Art. 3: Het college van burgemeester en schepenen wordt belast met de uitvoering van deze beslissing en de gunning van de opdracht marktconsultatie financiering van nieuwbouw van een complex (zwembad en aanpalende sporthal) door middel van kredieten met technisch-financiële projectbegeleiding.
Art.4: In afwachting van de opname van financiering worden de investeringsuitgaven voor het aandeel van de gemeente Koksijde (sporthal) gefinancierd uit de thesaurie.
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, artikel 41, 11°;
Gelet op het besluit van de raad van maatschappelijk welzijn van 17 november 2025;
Overwegende dat tijdens de opmaak van deze ontwerpakte werd vastgesteld dat één perceel, met name de tuin, kadastraal gekend onder sectie B, Koksijde met perceelnummer 38343B0126/00L005 die behoort bij de sociale woning Belleboeie, geen eigendom is van het OCMW maar van de gemeente;
Overwegende dat dit perceel functioneel deel uitmaakt van de sociale woning en noodzakelijk is voor een correcte en volledige overdracht aan de woonmaatschappij;
Overwegende dat de gemeente enkel kan beschikken over haar goederen bij beslissing van de gemeenteraad, waardoor een afzonderlijk besluit nodig is om het perceel te kunnen overdragen;
Overwegende dat VLABEL reeds een fiscale berekening heeft opgemaakt op basis van de oorspronkelijk aangeleverde gegevens, waarin het betrokken perceel niet werd opgenomen;
Overwegende dat een bijkomende waardering van dit perceel zou leiden tot een herberekening door VLABEL, wat de procedure zou vertragen en mogelijk bijkomende (fiscale) kosten met zich zou meebrengen;
Overwegende dat het perceel uitsluitend dienstbaar is als tuin en voor de gemeente geen aparte meerwaarde biedt;
Overwegende dat een overdracht van dit perceel aan de woonmaatschappij geen onderhoudskosten of -verplichtingen meer met zich meedraagt;
Art. 1: De in bijlage opgenomen ontwerpakte, voor de verkoop van de sociale woningen in de Polderstraat 30-32, Veurnestraat 5-7, Schoolstraat 16, Hovenierstraat 12 en de kosteloze overdracht van de tuin aan de erkende woonmaatschappij Ijzer en Zee, wordt goedgekeurd.
Art. 2: De gemeenteraad delegeert de ondertekeningsbevoegdheid van de huidige akte aan de burgemeester en de algemeen directeur.
Gelet op het decreet van het lokaal bestuur artikel 56;
Gelet op de beslissing van de gemeenteraad van 17 oktober 2011 waarbij de akte erfdienstbaarheid ten behoeve van de toegang tot het perceel gelegen Tulpendreef 4, kadastraal gekend is onder Koksijde 4de afdeling sectie G perceelnummer 802, werd goedgekeurd;
Gelet op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 18 augustus 2025 waarbij notaris Maes werd aangesteld om deze akte op te maken;
Overwegende dat de huidige erfdienstbaarheid enkel de toegang tot het perceel verschaft en de kandidaat koper, vraagt om deze erfdienstbaarheid uit te breiden ten behoeve om aansluitingen voor water, gas, elektriciteit, internet, riolering en alle overige mogelijke nutsleidingen aan te leggen;
Overwegende dat er een uitbreiding erfdienstbaarheid nodig is voor de aanleg en aansluitingen van alle mogelijke nutsleidingen;
Overwegende dat de uitbreiding erfdienstbaarheid de volgende voorwaarden omvat: de ligging van de leidingen gebeurt volgens de door de gemeente goedgekeurde plannen,
de kosten voor aanleg, onderhoud en eventuele schade volledig ten laste zijn van de heersende eigenaar en dat de gemeente te allen tijde toegang behoudt voor controle, herstellingswerken of toekomstige nutswerken;
Art. 1: De in bijlage van dit besluit opgenomen, uitbreiding erfdienstbaarheid ten behoeve van nutsleidingen voor een perceel gelegen Tulpendreef 4 te Oostduinkerke, kadastraal gekend onder Koksijde 4de afdeling sectie G perceelnummer 802 wordt goedgekeurd.
Art. 2: De gemeenteraad delegeert de ondertekeningsbevoegdheid van de huidige akte aan de burgemeester en de algemeen directeur.
de voorzitter deelt mee dat de aanvraag werd ingetrokken zodat dit punt zonder voorwerp is en dus afgevoerd wordt van de agenda
Gelet op artikel 56 van het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 wat betreft de uitvoering van de visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid en wijziging van diverse besluiten van 11 oktober 2022;
Gelet op het Cultureel Erfgoeddecreet van 23 december 2021 en het Cultureel Erfgoed uitvoeringsbesluit van 8 juli 2022;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het Onroerenderfgoedbesluit van 16 mei 2014 wat betreft de uitvoering van de Visienota Lokaal Onroerenderfgoedbeleid en wijziging van diverse besluiten van 11 oktober 2022;
Overwegende dat een bovenlokale erfgoedwerking, zowel op vlak van onroerend als van cultureel erfgoed, door beide ministers als een belangrijke beleidsaccent wordt gezien;
Overwegende de meerwaarde voor de onroerenderfgoedgemeente Koksijde bij het toetreden tot de IOED naar werklastvermindering toe;
Overwegende de kansen die zich zullen aanbieden indien Koksijde instapt in een erfgoedcel en de meerwaarde die dit op bovenlokaal vlak zal vormen voor de gemeentelijke musea;
Overwegende dat er voldoende kredieten beschikbaar zijn het overgangsjaar 2026 en de periode 2027 tot en met 2032;
Art.1: De gemeenteraad gaat akkoord met de deelname aan een geïntegreerde bovenlokale erfgoedwerking voor regio noordelijke Westhoek.
Art.2: De gemeenteraad gaat akkoord met een deelname in IOED Hydra voor het werkingsjaar 2026.
Art.3: De gemeenteraad keurt de bijhorende beleidsplannen goed.
Gelet op de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 16 maart 1968;
Gelet op het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
Gelet op het ministerieel besluit van 11 oktober 1976 waarbij de minimumafmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens worden bepaald;
Gelet op het decreet van 16 mei 2008 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens;
Gelet op het uitvoeringsbesluit van 23 januari 2009 betreffende de aanvullende reglementen op het wegverkeer en de plaatsing en bekostiging van de verkeerstekens;
Gelet op de omzendbrief MOB/2009/1 van 3 april 2009;
Gelet op het decreet over lokaal bestuur van 22 december 2017, art. 40, §3 en art. 286;
Gelet op het gemeenteraadsbesluit van 03 juni 2024 behoudens de goedkeuring van een samenwerkingsovereenkomst tussen Aquafin, lokaal bestuur Nieuwpoort en lokaal bestuur Koksijde voor de herinrichting van de Kinderlaan tussen de Spreeuwenberg en de Louisweg;
Overwegende dat het aanvullend reglement geheel of gedeeltelijk van toepassing is op gewestwegen en/of wegen bedoeld in artikel 6 van het decreet betreffende de aanvullende reglementen;
Overwegende dat Aquafin hun collector moeten vernieuwen in de Kinderlaan tussen de Spreeuwenberg en Louisweg;
Overwegende dat het ontwerp voor het project in december 2024 werd ingediend voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning;
Overwegende dat het ontwerp opgemaakt is vanuit een toekomstig wegbeeld bij snelheidsregime 50 km/u;
Overwegende dat bij een snelheidsregime 70 km/u volgende aanpassingen nodig zijn aan het ontwerp en de uitvoering op terrein: verwijderen van langsparkeren, inrichten van middeneilanden ter hoogte van de voetgangersoversteken, inrichten van haltehavens ter hoogte van de bushaltes
Overwegende dat voorgesteld wordt 50 km/u in te voeren vanaf het lichtengeregeld kruispunt ter hoogte van de Polderstraat tot de Spreeuwenberg, in kader van de leesbaarheid;
Art. 1: Over de volledige afstand, langs beide zijden, wordt de denkbeeldige rand van de rijbaan aangeduid.
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens WM75.2.
Art. 2: Stilstaan en parkeren verboden: aan de westkant, tussen kilometerpunt 8.7 en 9.1.
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens E3, GXa en GXb
Art. 3: Fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A volgen het fietspad: Tussen de Nieuwpoortsteenweg en de grens met Nieuwpoort
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens WM74.
Art. 4: Fietsers en bestuurders van tweewielige bromfietsen klasse A volgen het enkelrichtingsfietspad: Tussen de Albert I laan en de Nieuwpoortsteenweg
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens D7.
Art. 5: Voetgangers moeten de oversteekplaats volgen om de rijbaan over te steken:
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens WM76.3.
Art. 6: Het is iedere bestuurder verboden de onderbroken streep die het naderen van de doorlopende streep aankondigt te overschrijden, behalve om in te halen, om links af te slaan, om te keren of om van rijstrook te veranderen; het is iedere bestuurder verboden de doorlopende streep te overschrijden, alsook links van de streep te rijden wanneer deze de twee rijrichtingen scheidt: Over de volledige afstand
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens WM72.3 en WM72.2.
Art. 7: Op alle wegen die uitkomen op Kinderlaan met uitzondering van Polderstraat, Zouavenpad, Pelikaanstraat geldt dat de bestuurders voorrang moeten verlenen aan iedere bestuurder. De voorrangsweg wordt aangeduid.
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens: B1, B9 en B5 (Polderstraat, Zouavenpad, Pelikaanstraat).
Art. 8: Ter hoogte van het kruispunt met de Spreeuwenberg is het verboden links af te slaan.
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens C31a.
Art. 9: De bestuurders moeten de lichten van de driekleurige verkeerslichten naleven:
Dit wordt aangeduid door verkeerstekens VL61.1.
Art. 10: Op de Kinderlaan tussen de kruispunten met de Victorlaan en de Spreeuwenberg geldt in beide richtingen:
Art. 11: Het aanvullend reglement betreffende de Kinderlaan van 29 april 2024 wordt opgeheven.
Gelet op de artikelen 40 en 41 van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur;
Overwegende de aansluitplicht op de openbare riolering;
Overwegende dat de gemeente de openbare riolering in beheer heeft;
Overwegende dat de aansluiting ten laste is van diegene die er voordeel van heeft;
Overwegende dat de aansluiting op openbaar domein wordt gerealiseerd;
Art. 2: De uitvoering van huisaansluiting behoeft voorafgaandelijk toestemming van de gemeente. De aanvraag van de huisaansluiting gebeurt digitaal via de website.
Art. 3: De huisaansluiting moet uitgevoerd worden volgens de technische voorwaarden opgenomen in het huishoudelijk reglement.
Art. 4: De huisaansluiting blijft de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel.
Art. 5 : Het gravitair aansluiten van afvoerleidingen vanuit kelders is verboden, met uitzondering van deze waarvoor expliciet toestemming wordt gevraagd en gegeven door het schepencollege en mits nemen van de nodige maatregelen.
Art. 6: De privéwaterafvoer is de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het perceel.
Art. 7: Alle kosten voor herstellings- of aanpassingswerken ten gevolge van niet conforme uitvoering van de huisaansluiting is ten laste van de eigenaar van het perceel.
Art. 8: Elke huisaansluiting moet verplicht gekeurd worden op kosten van de eigenaar van het perceel dat aangesloten wordt.
Gelet op het decreet lokaal bestuur van 22 december 2017, artikel 40;
Gelet dat de gemeente aangesloten is bij de IKWV sedert de oprichting;
Gelet op het schrijven van 13 november 2025 van de IKWV waarbij de gemeente werd uitgenodigd tot de algemene vergadering van de intercommunale op 17 december 2025 om 19u30, met volgende agenda :
Art. 1: Zijn goedkeuring te hechten aan de volgende agendapunten van de algemene vergadering van 17 december 2025 van de IKWV:
Art. 2: De vertegenwoordiger van de gemeente die zal deelnemen aan de algemene vergadering van de IKWV op 17 december 2025 op te dragen zijn stemgedrag af te stemmen op de beslissingen genomen in de gemeenteraad.
Voor een woordelijke weergave van de zitting wordt verwezen naar https://koksijde.notubiz.be/vergadering/1317148 dat integraal deel uitmaakt van dit zittingsverslag
De voorzitter sluit de zitting op 15/12/2025 om 23:46.
Namens gemeenteraad,
Joeri Stekelorum
algemeen directeur
Koen Ringoot
voorzitter