Gelet op de artikelen 41, 162 en 170 §4 van de Grondwet;
Gelet op de Vlaamse Codex Wonen van 2021, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid, en latere wijzigingen, hierna afgekort als DGPB; dat hierin het minimumtarief decretaal verplicht wordt gesteld,
Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009, artikel 4.3.5, §2, 5.6.1, en 5.6.10 tot en met 5.6.15, en latere wijzigingen;
Gelet op het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur, en latere wijzigingen, in het bijzonder op het artikel 40 §3, artikel 41 14°;
Gelet op de omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding houdende de onderrichtingen betreffende de gemeentefiscaliteit en omzendbrief KBBJ/ABB 2026/2 van 20 maart 2026 over de gemeentefiscaliteit;
Overwegende de financiële toestand van de gemeente; dat de opbrengst van deze belasting opgenomen is in het meerjarenplan 2026-2031 (MAR 7371);
Overwegende dat de gemeente het wenselijk acht om potentiële woonlocaties vrij te maken en om grondspeculatie tegen te gaan; dat het wenselijk is om realiseerbare onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels te activeren in de gemeente;
Overwegende dat de gemeente kiest voor een uniform tarief van 2,00 EUR per m², dat voor alle aanslagjaren gelijk blijft, om een voorspelbare en transparante fiscale last te creëren die eigenaars aanzet tot activering;
Overwegende dat woonmaatschappijen, sociale woonorganisaties en Vlabinvest apb taken van algemeen belang vervullen in het kader van het Vlaamse, provinciale en gemeentelijke woonbeleid, en daarbij onderworpen zijn aan een specifiek decretaal en statutair kader dat hen ertoe verplicht hun onroerend patrimonium aan te wenden voor de realisatie van sociale woonprojecten;
Overwegende dat deze instanties, gelet op hun publiekrechtelijke aard, hun toezicht door de bevoegde overheid en het ontbreken van een winstoogmerk, niet kunnen worden geacht op te treden met speculatieve doeleinden; dat het bijgevolg niet noodzakelijk is hen door middel van de activeringsheffing bijkomend aan te zetten tot ontwikkeling van hun onbebouwde bouwgronden of kavels;
Overwegende dat door de overheid erkende jeugd- en sportverenigingen eveneens taken van algemeen belang en maatschappelijke meerwaarde vervullen zonder winstoogmerk, en dat het onbebouwd houden van een onroerend goed door dergelijke verenigingen doorgaans verband houdt met hun verenigingsdoel (bijvoorbeeld gefaseerde infrastructuur uitbouw, speelruimte,...) en niet met grondspeculatie, zodat een vrijstelling voor deze categorie redelijk verantwoord is.
Overwegende dat een zakelijk gerechtigde die slechts één onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel bezit en daarnaast geen ander onroerend goed in België of het buitenland bezit, zich in een wezenlijk andere positie bevindt dan een eigenaar die over meerdere onroerende goederen beschikt en aldus over een ruimere financiële ademruimte om tot bebouwing over te gaan; dat het niet onredelijk is deze categorie van eigenaars, die doorgaans geen speculatief oogmerk nastreeft maar de grond aanhoudt met het oog op een toekomstig eigen woonproject, gedurende een substantiële termijn vrij te stellen van de activeringsheffing;
Overwegende dat de gemeente er evenwel voor kiest deze vrijstelling te beperken tot tien aanslagjaren volgend op de verwervingsdatum, teneinde de activeringsdoelstelling van de heffing op langere termijn te vrijwaren en te vermijden dat gronden voor onbepaalde tijd onbebouwd blijven zonder enige fiscale prikkel tot ontwikkeling; dat een termijn van tien jaar een redelijk evenwicht vormt tussen de bescherming van de niet-speculatieve eigenaar en de activeringsdoelstelling van het reglement.
Overwegende dat bepaalde ouders een onbebouwde bouwgrond of kavel voor te behouden met het oog op de toekomstige huisvesting van hun kind; dat het aanhouden van een grond met dat doel geen verband houdt met grondspeculatie, maar met ondersteuning van het kind bij een toekomstig bouwproject; dat het bijgevolg niet wenselijk is dit fiscaal te ontmoedigen; dat de vrijstelling beperkt wordt tot kinderen die op het ogenblik van de aanvraag de leeftijd van dertig jaar nog niet hebben bereikt en die zelf nog geen volle drie jaar eigenaar zijn van een onbebouwde bouwgrond, onbebouwde kavel of woning in volle eigendom, en tot maximaal één onbebouwde bouwgrond of kavel per kind fiscaal ten laste; dat deze voorwaarden waarborgen dat de vrijstelling enkel toekomt aan gezinssituaties waarin de grond nog niet is aangewend en er geen sprake is van langdurig onbebouwd houden met winstoogmerk;
Overwegende dat een belastingplichtige die voor het eerst zakelijk gerechtigde wordt van een onbebouwde bouwgrond of kavel, bv na erfenis, schenking, aankoop, .... redelijkerwijze de tijd moet krijgen om zich te oriënteren en de nodige stappen (opmaak plannen, aanvraag omgevingsvergunning) voor te bereiden, vooraleer de activeringsheffing verschuldigd wordt; dat een vrijstelling voor het eerste aanslagjaar na verwerving deze redelijke aanlooptijd erkent zonder de activeringsdoelstelling van de heffing te ondergraven, aangezien de vrijstelling eenmalig en tijdelijk is;
Overwegende dat het niet de bedoeling is van de activeringsheffing om eigenaars te bestraffen die daadwerkelijk en actief werk maken van de bebouwing van hun onbebouwde bouwgrond of kavel; dat een ontheffing op aanvraag voor wie een reëel bouwvoornemen aantoont, bijdraagt aan de activeringsdoelstelling van het reglement door bouwintenties te ondersteunen in plaats van louter te bestraffen; dat de toekenning van deze ontheffing gekoppeld wordt aan strikte en cumulatieve voorwaarden — recente verwerving, tijdige en ontvankelijke vergunningsaanvraag, effectieve aanvang van de werken binnen zes maanden na uitvoerbaarheid van de vergunning — om oneigenlijk gebruik te voorkomen en te waarborgen dat enkel eigenaars met een aantoonbaar concreet bouwproject van de ontheffing genieten; dat de ontheffing bovendien beperkt blijft tot maximaal vijf aanslagjaren en vervalt zodra de belastingplichtige de vergunde werken niet binnen de gestelde termijn aanvat;
Overwegende dat dit reglement de vrijstellingsduur bedoeld in artikel 6, §3 en §4, verlengt van vijf naar tien aanslagjaren ten opzichte van het vorige belastingreglement; dat het niet redelijk verantwoord zou zijn deze verlengde vrijstellingsduur enkel toe te kennen aan belastingplichtigen die hun onbebouwde bouwgrond of kavel verwerven onder het huidige reglement, en niet aan belastingplichtigen die dezelfde grond of kavel reeds eerder, onder het vorige reglement, hebben verworven en op dat ogenblik slechts aanspraak konden maken op een vrijstelling van vijf aanslagjaren; dat een dergelijk onderscheid, louter gebaseerd op het tijdstip van verwerving, niet strookt met de gelijke behandeling van belastingplichtigen die zich in een gelijkaardige situatie bevinden; dat de overgangsbepaling deze belastingplichtigen bijgevolg toelaat de aanvullende vrijstellingsjaren te genieten tot het bereiken van de nieuwe termijn van tien aanslagjaren vanaf de werkelijke verwervingsdatum, met dien verstande dat geen aanvullende vrijstelling meer wordt toegekend wanneer die termijn van tien aanslagjaren reeds verstreken is;
Overwegende het meerjarenplan van de gemeente Koksijde voor 2026-2031, meer bepaald het woonbeleid;
Art. 1. : definitie
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
1° bouwgronden: gronden, met uitsluiting van kavels, die palen aan een voldoende uitgeruste weg in de zin van artikel 4.3.5, § 2, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en gelegen zijn in een woongebied of in een woonuitbreidingsgebied dat reeds voor bebouwing in aanmerking komt blijkens een principiële beslissing of op grond van artikel 5.6.10 tot 5.6.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
2° kavels: de in een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden van een niet vervallen verkaveling afgebakende percelen;
3° onbebouwd: beantwoordend aan de criteria voor opname in het register van onbebouwde percelen, gesteld bij en krachtens artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Een kavel of bouwgrond wordt als bebouwd aanzien wanneer de oprichting van een woning erop is aangevat op 1 januari van het aanslagjaar, overeenkomstig de omgevingsvergunning tot stedenbouwkundige handelingen.
4° register van onbebouwde percelen: het register, vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
5° sociale woonorganisatie: een organisatie, vermeld in artikel 1.3, §1, eerste lid, 53° Vlaamse Codex Wonen van 2021.
6° omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen: een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen als bedoeld in artikel 2, §1 van het Decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, die betrekking heeft op de oprichting van een gebouw of woning op het belaste perceel;
7° uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning: het tijdstip waarop de omgevingsvergunning overeenkomstig artikel 35 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning uitvoerbaar is.
8° aanvang der werken: Het tijdstip waarop de uitvoering van de vergunde stedenbouwkundige handelingen effectief wordt aangevat. De aanvang van de werken wordt gemeld via het Omgevingsloket overeenkomstig de geldende regelgeving en/of de vergunningsvoorwaarden. Deze datum kan worden aangetoond met alle middelen van recht.
9° beveiligde zending: een aangetekend schrijven, een afgifte tegen ontvangstbewijs, of een andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
10° zakelijk gerechtigde: de houder of medehouder van één van de volgende zakelijke rechten:
Art. 2. : belastbaar feit
Er wordt voor de aanslagjaren 2027 tot en met 2031 een jaarlijkse gemeentebelasting, genoemd activeringsheffing, gevestigd op de onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels die zijn opgenomen in het register van onbebouwde percelen van de gemeente Koksijde.
De belasting is van toepassing op alle percelen die op 1 januari van het aanslagjaar zijn opgenomen in het register van onbebouwde percelen, ongeacht de duur van hun opname in het register.
Art. 3. : belastingplichtige
§1. De activeringsheffing is ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar verschuldigd door de natuurlijke, feitelijke of rechtspersoon die op 1 januari van het aanslagjaar eigenaar is van de onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel.
§2. Indien er een recht van vruchtgebruik of opstal of erfpacht bestaat, is de activeringsheffing ondeelbaar en voor het ganse aanslagjaar verschuldigd door de persoon die op 1 januari van het aanslagjaar vruchtgebruiker of erfpachter of opstalhouder is.
§3. Bij mede-eigendom zijn alle mede-eigenaars hoofdelijk en ondeelbaar gehouden tot betaling van de volledige belasting. Het aanslagbiljet wordt gericht aan één van de mede-eigenaars.
§4. In geval van onverdeeldheid van meerdere belastingplichtigen wordt ingekohierd hetzij op naam van alle belastingplichtigen, hetzij op naam van een of meer van de belastingplichtigen, gevolgd door de vermelding ‘en rechthebbenden’.
§5. Ingeval van overdracht van eigendom is de nieuwe eigenaar de belasting verschuldigd met ingang van 1 januari die volgt op de datum waarop de overdracht van rechten onder de partijen heeft plaats gehad.
Als datum van overdracht van rechten onder partijen wordt genomen de datum van het verlijden van de akte voor de notaris.
In geval van overlijden van de belastingplichtige na 1 januari wordt de belasting ingekohierd op naam van de overleden belastingplichtige voorafgegaan door het woord ‘Nalatenschap’. Elke erfgenaam in de nalatenschap is hoofdelijk gehouden tot betaling van de volledige belasting.
Art. 4 Hoofdelijkheid
In geval er meerdere belastingplichtigen zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de belasting.
Art. 5 : berekeningsgrondslag en tarief
§1 De belasting bedraagt 2,00 EUR per m² onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel, met een minimum van 750,00 EUR per bouwgrond of kavel per aanslagjaar. Dit tarief is gelijk voor alle aanslagjaren 2027 tot en met 2031.
§2. De belasting is ineens en voor heel het jaar verschuldigd volgens de toestand op 1 januari van het aanslagjaar. De belasting is jaarlijks en ondeelbaar verschuldigd door de belastingplichtige
§3 De belasting is verschuldigd per onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel als zodanig vermeld in de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden.
§4. Als oppervlakte van een onbebouwde bouwgrond geldt de oppervlakte die is vastgelegd in de kadastrale legger. Als oppervlakte van een onbebouwde kavel geldt de oppervlakte die is vastgelegd in de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden. De oppervlakte wordt afgerond naar de bovenliggende vierkante meter.
§5. Wanneer de onbebouwde bouwgrond volledig in een woongebied ligt wordt de belasting berekend op de volledige oppervlakte van de onbebouwde bouwgrond, los van de vraag of deze oppervlakte al dan niet volledig bebouwbaar is.
Wanneer de onbebouwde bouwgrond niet volledig in een woongebied ligt wordt de belasting alleen berekend op het gedeelte van de oppervlakte gelegen in het woongebied.
Het deel van de kavel waarbij de woonfunctie of aan de woonfunctie aanhorige functie uitgesloten is, wordt niet meegerekend als belastbare oppervlakte.
§6. Het optrekken van een gebouw dat niet strookt met de voor het hoofdgebouw voorgeschreven stedenbouwkundige voorschriften volstaat niet om het perceel als bebouwd te beschouwen.
§7. Samengevoegde percelen behouden ongeacht het tijdstip waarop ze in eigendom werden verkregen, elk hun eigen statuut van afzonderlijk perceel tot de bevoegde overheid toelating geeft om deze samen te voegen.
§8. Onbebouwde bouwgronden of onbebouwde kavels welke dienst doen als tuin naast het bebouwde perceel van de belastingplichtige, worden belast zolang er een omgevingsvergunning voor deze onbebouwde bouwgronden of onbebouwde kavels kan verkregen worden, dit in tegenstelling tot art. 3.2.9 van het decreet grond- en pandenbeleid.
Na toelating van de bevoegde overheid tot samenvoeging met het perceel, waarop het hoofdgebouw, dat voor bewoning is bestemd, zich bevindt, vervalt de activeringsheffing.
Art. 6 : vrijstellingen
De vrijstellingen voorzien in de artikelen 3.2.7 tot en met 3.2.11 van het Decreet op het Grond- en Pandenbeleid zijn niet van toepassing.
Enkel de vrijstellingen opgenomen in dit artikel zijn van toepassing in de gemeente Koksijde.
§1. Van de activeringsheffing zijn vrijgesteld:
§2. De belastingplichtige, die zakelijk gerechtigde wordt van een onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel opgenomen in het register van onbebouwde percelen van de gemeente Koksijde in het jaar voorafgaand aan het aanslagjaar, wordt voor het eerste aanslagjaar volgend op de verwerving ervan vrijgesteld van de activeringsheffing.
§3. Een vrijstelling gedurende tien aanslagjaren volgend op de datum van verwerving van de onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel wordt toegekend aan de zakelijk gerechtigde(n) van één enkel onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel en die geen ander onroerend goed gelegen in België of het buitenland in eigendom hebben, hetgeen blijkt uit een recent attest afgeleverd door de FOD Financiën en uit een verklaring op eer voor het niet hebben van onroerende goed in het buitenland. Reeds toegekende vrijstellingen op basis van een vorig belastingreglement worden hiermee verrekend.
§4 Een vrijstelling gedurende tien aanslagjaren wordt toegekend aan de ouder(s)-zakelijke gerechtigde(n) met kinderen, beperkt tot één onbebouwde bouwgrond of één onbebouwde kavel per kind en voor zover het kind nog fiscaal ten laste is, hetgeen blijkt uit de meest recente fiscale afrekening in de personenbelasting, het kind tegelijk de leeftijd van dertig jaar nog niet heeft bereikt en tegelijk zelf nog geen volle drie jaar eigenaar is van een onbebouwde bouwgrond, onbebouwde kavel of woning in volle eigendom. Reeds toegekende vrijstellingen op basis van een vorig belastingreglement worden hiermee verrekend.
§5. De onbebouwde kavels begrepen in een verkavelingsvergunning die geen werken omvat of uitsluitend werken bestaande uit het aanleggen van nieuwe en/of aanpassen van bestaande nutsvoorzieningen, worden vrijgesteld voor het aanslagjaar volgend op het jaar waarin de verkavelingsvergunning werd verleend.
De onbebouwde kavels begrepen in een verkavelingsvergunning die wel werken omvat buiten de werken bestaande uit het aanleggen van nieuwe en/of aanpassen van bestaande nutsvoorzieningen, voor het aanslagjaar volgend op het jaar waarin het attest vermeld in artikel 4.2.16, §2, VCRO is afgeleverd waaruit blijkt dat alle in de verkavelingsvergunning opgelegde voorwaarden en lasten zijn uitgevoerd of dat voor de uitvoering van de lasten een afdoende financiële waarborg is gestort of op onherroepelijke wijze door een bankinstelling werd verleend.
§6. Een vrijstelling van de activeringsheffing voor maximaal vijf aanslagjaren volgend op de datum van verwerving van de onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel wordt toegekend als de aanvrager een reëel bouwvoornemen aantoont.
De vrijstelling van het eerste aanslagjaar is geregeld in artikel 6, §2. Zakelijk gerechtigden die gebruik wensen te maken van de verdere vrijstelling op grond van een reëel bouwvoornemen dienen binnen dit eerste aanslagjaar na verwerving een ontvankelijke aanvraag in te dienen voor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen voor het bouwen van een woning op het betrokken perceel. Dit blijkt uit het ontvangstbewijs van de bevoegde overheid of uit de publicatie in het Omgevingsloket.
De aanvraag tot vrijstelling wordt ingediend bij het college van burgemeester en schepenen binnen de drie maand na ontvangst van het aanslagbiljet.
De aanvraag bevat volgende bewijsstukken:
1° een kopie van de notariële verwervingsakte;
2° het ontvangstbewijs van de omgevingsvergunningsaanvraag of een uittreksel uit het Omgevingsloket;
Zodra de omgevingsvergunning uitvoerbaar wordt en er geen administratief of gerechtelijk beroep meer mogelijk is, moeten de vergunde werken aangevat worden binnen zes maanden.
Dit blijkt uit een startbewijs of een aanvangsdeclaratie, gericht aan de gemeente Koksijde, of uit elk ander rechtsgeldig bewijsstuk.
Indien de belastingplichtige de werken niet aanvangt binnen zes maanden na de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning, vervalt het recht op vrijstelling definitief en is de belasting volledig verschuldigd. De gemeente kan de verschuldigde belasting in dat geval invorderen via een aanvullende aanslag of via een herziening van de beslissing tot vrijstelling.
Het college van burgemeester en schepenen verleent de vrijstelling nadat is vastgesteld dat alle voorwaarden zijn vervuld en alle vereiste stukken zijn voorgelegd. Zolang de vrijstelling niet is verleend, blijft de aanslag opeisbaar.
§7. De activeringsheffing wordt niet geheven op bouwgronden en kavels die tijdens het aanslagjaar niet voor bebouwing kunnen worden bestemd:
§8. Indien sommige mede-eigenaars, krachtens de bovenstaande bepalingen zijn vrijgesteld, wordt de belasting onder de overige mede-eigenaars, in verhouding tot hun deel in het perceel, verrekend.
§9. De door eerdere belastingreglementen verworven vrijstellingen blijven geldig en komen niet te vervallen.
Art. 7 : inkohiering en invordering
De belasting wordt door middel van een kohier dat wordt vastgesteld en uitvoerbaar verklaard door het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig het decreet van 30 mei 2008, en latere wijzigingen, betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van de provincie- en gemeentebelastingen.
De belasting moet worden betaald binnen de twee maanden na de verzending van het aanslagbiljet.
Art. 8 : bezwaarprocedure
De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan tegen de belastingaanslag bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.
Art. 9 : overgangsbepalingen
Zakelijk gerechtigden die op grond van het belastingreglement op de activeringsheffing van onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels 2026-2031, vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2025, voor de betrokken onbebouwde bouwgrond of onbebouwde kavel slechts aanspraak konden maken op een vrijstelling gedurende vijf aanslagjaren, kunnen een aanvullende vrijstelling bedoeld in artikel 6, §3, respectievelijk §4 jaarlijks aanvragen tot het maximum van tien vrijgestelde aanslagjaren van dit reglement wordt bereikt.
Deze aanvullende vrijstelling wordt toegekend ongeacht de datum van verwerving en beperkt zich in elk geval tot het bereiken van maximaal tien vrijgestelde aanslagjaren.
De aanvullende vrijstelling wordt slechts toegekend voor zover de belastingplichtige, voor elk aanslagjaar waarvoor zij wordt ingeroepen, voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 6, §3, respectievelijk §4, van dit reglement.
Art. 10: bekendmaking en inwerkingtreding
Dit reglement wordt door de burgemeester bekendgemaakt op de gemeentelijke website, met vermelding van zowel de datum waarop het werd aangenomen als de datum waarop het op de webtoepassing bekendgemaakt werd. De toezichthoudende overheid wordt op de hoogte gebracht van de bekendmaking van het reglement op de webtoepassing van de gemeente.
Dit reglement heft het belastingreglement op de activeringsheffing van onbebouwde bouwgronden en onbebouwde kavels 2026-2031 vastgesteld door de gemeenteraad op 15 december 2025, op met ingang van het aanslagjaar 2027.